Het ei X (10)

Door Albert Waterhondt

De aandachtige lezer weet sinds de vorige aflevering dat het ei X plotsklaps was wedergeboren en is dus niet verbaasd om nu te horen dat de nieuw geborene er meteen aanleiding in zag om zich te voorzien van een naam: Albert Waterhond. Niet toevallig, gezien zijn voorgeschiedenis.

Hij had het bij de studie  in Leiden regelrecht naar zijn zin want hij kon zich dagelijks bezig houden met dagdromen, zijn meest productieve  bezigheid. Hij had uit een advertentie voor Martini Vermouth een foto van een zwartharige vrouw geknipt zodat hij zich alvast aan het idee kon wennen. Ze was zo te zien wel wat ouder dan hij maar dat maakte hem niet uit. In zijn hoofd was hij immers een vrije vogel, hij bereisde de wereld, en hij beleefde met denkbeeldige zwartharige meisjes van alle leeftijden het ene avontuur na het andere. Naast het dagdromen drumde hij in een bandje en schreef in een studentenkrantje. Beide nevenactiviteiten sloten rechtstreeks aan bij zijn  pre-natale ervaringen en waarnemingen.

Met het Frans maakte hij snel vooruitgang. Hij las het ene boek na het andere en reeds na de eerste vijfhonderd boeken uit de periode van de laatste twee eeuwen  voelde hij zich goed thuis tussen de Fransen, alhoewel hij nog nooit bij hen ter plaatse had verkeerd.

Na enige tijd liep hij een aardig zwartharig meisje van vlees en bloed  tegen het lijf. Hij kwam regelmatig bij haar thuis en die bezoeken waren voor hem een openbaring. Haar vader was psychiater. Hij moest vaak de deur open doen als er patienten kwamen. De eerste paar keer zorgde hij ervoor dat hij altijd de deur tussen zo iemand en hemzelf hield, want hij wist niet beter of psychiaters waren personen die  krankzinnigheidsverklaringen uitschreven. Al vlug besefte hij dat hij ogenschijnlijk normale mensen binnenliet. Hele leuke en aparte mensen, ook dat nog.

De vader behandelde zijn patienten volgens de psychologie van Carl Jung. Gezien zijn Calvinistische verleden had Albert natuurlijk nog nooit van deze Carl gehoord. De vader van zijn vriendin legde hem het een en ander uit over archetypen en wat hem daarvan altijd bij zou blijven was de beschrijving van  de archetypen Apollo en Hermes. Apollo is de held, de mens die keuzes maakt. Hermes is de slimmerik die zowel het standpunt van de een (inclusief zichzelf) als dat van de ander wil zien en dus nooit een keuze maakt. Hij concludeerde al gauw dat hij zelf  niemand anders dan een Hermes kon zijn en dat hij levenslang flink op moest passen voor Apollo’s, vrouw dan wel man.

In die tijd volgde hij hartstochtelijk de ruzies tussen Albert Camus en Jean-Paul Sartre, vooral die over het boek van Camus: “De mens in opstand”. Met zijn nieuwverworven kennis deelde de twee filosoof schrijvers onmiddellijk in. Sartre: de Apollo, Camus: de Hermes. Trots stelde hij de vader van het zwartharige meisje van zijn bevinding op de hoogte. Echter,  die waarschuwde hem dat men de archetypen niet zo absoluut moest zien: meerdere archetypes kunnen co-existeren in één mens. Daar had Albert niet veel moeite mee, want hij voelde zich Hermes. Hij lette voortaan extra goed op. Toen hij Marcel Proust las en tegen de Baron de Charlus opliep, noteerde hij onmiddellijk de volgende zin in het citatenboekje dat hij met potlood bijhield tijdens zijn tocht door Marcel’s vierduizend pagina’s: “Il y avait d’ailleurs deux M. de Charlus, sans compter les autres”. ‘Er waren trouwens twee meneren de Charlus, de anderen nog buiten beschouwing gelaten’.

Op een dag kwam er een uitnodiging binnen bij de redactie van zijn studentenkrantje. De tachtig-jarige Opa Klijzing uit Purmerend was net wereldkampioen pijproken geworden en dat succes was het plaatselijk pijprookgezelschap naar het hoofd gestegen: zij organiseerden nu een wereldkampioenschap pijproken voor studenten. Een stel gloednieuwe pijpen was ingesloten met instructie voor het inroken, waarbij slaolie benodigd was. Aanbevolen werd om flink te gaan oefenen met 3,3 gram tabak per poging. Deze gebeurtenis zou niet de moeite waard zijn om thans te vermelden, ware het niet dat ze hem, nieuwsgierig als hij was,  op de terugweg uit Purmerend naar de Zeedijk in Amsterdam voerden. Alwaar hij een hapje ging eten bij ‘Le chat qui pelote’ – aangetrokken door de Franse naam en ter practische oefening dus –.

Dat bezoek aan de Zeedijk en omgeving zou zijn leven voorgoed veranderen.

(wordt vervolgd)

Print Friendly, PDF & Email
Deel dit artikel
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  

Het ei X (11)

Door Albert Waterhondt

Het regende flink toen hij met zijn vrienden de gehuurde Volkswagen parkeerde in de buurt van het Centraal Station van Amsterdam. Uitgehongerd gingen ze op zoek naar Le Chat qui pélote en vonden het bistrootje vlak naast een bruggetje. Al etende vroegen ze de eigenares naar het adres van de bar waar Kid Dynamite speelde en raakten met haar aan de praat. ‘Jullie moeten eens kennis gaan maken met de dames achter de ramen’, zei ze, ‘dat zijn doodgoeie meiden, ze hebben het leven leren kennen en als ze eenmaal met je trouwen zijn ze je hondstrouw en je kan je geen betere moeders voor je kinderen indenken, echt waar.’ Dat maakte indruk dus ze namen geen koffie, betaalden en gingen meteen aan de wandel.

De vrienden verdwenen een voor een ergens naar binnen voor een kennismakingsbezoek, behalve Albert die achter de ramen met vlasblonde feeën in wijnrode verlichting geen enkel zwartharig meisje kon vinden. Zoals de aandachtige en trouwe lezer weet, was dat nu juist het type meisje waar hij al zo lang van droomde. Hij begon al aardig genoeg te krijgen van het gedrentel, toen hij in een zijstraat een auto met een Frans nummerbord zag staan, voor een bar met de exotische naam ‘Mexico City.’ Ineens had hij geen belangstelling meer voor doodgoeie meiden. Hier was een kans om voor het eerst met een echte Fransman te praten. Zonder zich verder te bedenken stapte hij naar binnen bij het etablissement.

Tot zijn stomme verbazing zag hij aan de bar een man zitten die sprekend leek op zijn held Albert Camus, wiens gezicht hij zo goed uit de kranten kende. Hij schoof naast hem aan en bestelde twee jonge klares. Dat werd zeer geapprecieerd door zijn buurman die zich onmiddellijk voorstelde met “Jean-Baptiste Clamence, advocaat uit Parijs” en een lang verhaal begon over iets wat hem ontzettend dwars leek te zitten. Monsieur Clamence had altijd gedacht dat hij superieur van karakter was, een voorbeeld voor anderen, maar er was hem iets overkomen dat het tegendeel leek aan te tonen. Op een donkere avond stak hij lopende de Seine over en zag een verdrietig meisje op de brugleuning  zitten. Dat hij niet gestopt was  om een praatje met haar te maken was nog tot hier aan toe. Echter, nadat hij haar een paar meter gepasseerd was, had hij beneden achter zich een plons gehoord. Hij had even omgekeken, het meisje niet meer op de brugleuning gezien en was doorgelopen zonder iemand te waarschuwen. ‘Dat is het, wat me zo dwars zit, meneer, begrijpt u dat? Ik ben mezelf zo tegengevallen dat ik mijn practijk in Parijs heb gesloten en hier terug tot mijzelf probeer te komen.’

Albert genoot ervan dat hij de meneer zo goed kon verstaan en wilde nu graag het spreken met een echte Fransman gaan oefenen. Hij dacht aan de gesprekken met de vader van zijn zwartharige vriendin, de psychiater en besloot  Monsieur Clamence gerust te stellen door hem erop te wijzen dat hij het echt niet kon helpen. Hij zou als het archetype Hermes kunnen zijn geboren. Echter, hij kreeg geen kans. De man praatte aan een stuk door. ‘Maar waarom bent u nu juist in Amsterdam uw gemoedsrust terug gaan zoeken?’, was alles wat Albert er even, in zijn beste Frans, tussen kon krijgen. Die vraag bracht de Fransman in vervoering.

“Holland is een droom, meneer, een droom van goud en rook, overdag rokeriger, ‘s nachts meer verguld. Dag en nacht wordt deze droom bevolkt door Lohengrin, zoals die lui hier, die dromerig rondjes rijden op hun zwarte fietsen met hoge sturen, statige zwanen die onophoudelijk rond drijven, het hele land door, rond hun meren en langs de grachten. Zij dromen met het hoofd in hun koperkleurige wolken, ze draaien alsmaar rond, zij bidden als slaapwandelaars in de gouden wierook van de nevel, ze zijn afwezig. Ze zijn vertrokken naar Java, het verre eiland, duizenden kilometers weg. Ze bidden tot de grijnzende goden van Indonesië waarmee ze hier hun ramen versierd hebben en die op dit moment boven ons zweven, alvorens als weelderige apen te gaan hangen aan hun uithangborden en trapgevels, om aan hun kolonisten in herinnering te brengen dat Holland niet alleen het Europa is van de kooplieden, maar de zee die zich uitstrekt tot Cipango en de eilanden daar, waar de mensen gek en gelukzalig sterven.”

Gek en gelukzalig sterven. Wat een prachtig vooruitzicht. Dat is heel iets anders dan de  hel van meneer Calvijn. In een flits dacht Albert aan al die leuke patienten die hij open had gedaan bij de psychiater, de vader van zijn zwartharige vriendin. Aan het feit dat in het Verre Oosten alle meisjes zwart haar hebben. Hij besloot ter plaatse om het zekere voor het onzekere te nemen. Hij stond op, betaalde, nam afscheid van Monsieur Clamence, stak de brug over naar het Centraal Station (zonder naar de brugleuning te kijken) en ging spoorslags terug naar Leiden. De volgende dag verbrak hij de relatie met zijn vriendin, sprak een Franse doctoraalscriptie af met een promotor en maakte een tijdschema om zo spoedig mogelijk per boot naar het Verre Oosten te vertrekken. In Vietnam wordt immers ook goed Frans gesproken. Voor de zekerheid wilde hij vertrekken via Marseille, dan zou hij op weg er naar toe, met de trein, toch nog iets van Frankrijk kunnen zien.

Snelle besluiten zijn goed mits er van te voren lang over is nagedacht. Het licht breekt dan door en alles is in een keer duidelijk.

(wordt vervolgd)

Print Friendly, PDF & Email
Deel dit artikel
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  

Het Ei X (12)

Kopnoot van de verhalencurator: De aandachtige en trouwe lezer heeft in aflevering 10 al waargenomen dat het Ei X zich na zijn wedergeboorte voorzag van een naam: Albert Waterhondt. In aflevering 11 besloot hij na zijn toevallige ontmoeting met de heer Jean-Baptiste Clamence om, nadat hij in Leiden zou zijn afgestudeerd, zo spoedig mogelijk via Marseille naar het Verre Oosten te vertrekken. Uit een losse aantekening die ik aantrof tussen zijn manuscript werd mij duidelijk dat hij er geen gras over liet groeien. Hij slaagde in recordtijd cum laude met een scriptie over de vraag of de Franse schrijver Julien Gracq zich voor zijn Rivages des Syrtes nu  wel of niet had laten inspireren door Le Désert des Tartares van Dino Buzzati. Het tweede deel van het manuscript dat hij bij mij achterliet is geschreven in de ‘ik’stijl, in een dagboekachtige en vaak wat fantasierijke vorm. Ik laat nu Albert Waterhondt weer aan het woord.

Door Albert Waterhondt

Marseille, Juli 1956.

Het is warm. Gisteren was het nog warmer. Dat zie ik op de voorpagina van  l’Antenne, een Marseillaanse krant: Chaleur Record, 42,5 C. Ik wandel met mijn zwembroek en een handdoek onder de arm. Ik kom van de kleine maar mooi gelegen Plage des Catalans dat vol uitzicht heeft op het Chateau d’If.  Ik heb geen haast. Ik ben net het punt gepasseerd waar de Canebière uitkomt bij de Vieux Port. Nu baan ik me een weg door Le Panier, het oudste deel van Marseille. Smalle straatjes. Af en toe vang ik een glimp op van de kathedraal. Daar moet ik langs, ik zoek het Bassin de la Joliette, de thuisbasis van de Messageries Maritimes. In de oorlog hebben de Duitsers een groot deel van deze wijk opgeblazen en dat is nog goed te zien.

Er is veel vertier. De Amerikaanse zesde vloot is binnen. In de omgeving van de Vieux Port en de Canebière  wemelt het van de in het wit geklede matrozen. Op zoek naar vrouwen en drank.  Ik loop door een steeg waar het halfdonker is ondanks de felle zon. Overal zijn bars met luifels en neonverlichting. Ik moet me tegen een gevel aandrukken om een langzaam rijdende jeep van de Amerikaanse shore patrol te laten passeren. Een uithangbord trekt mijn aandacht.

Librairie Le Passé Simple, Livres AnciensPropr. S. Perutz.

De deur staat open, ik doe een paar stappen naar binnen.

Achterin een donkere ruimte zit in het licht van een leeslamp een heel klein vrouwtje met stekelharen en lichtgevende blauwe ogen. Ze zit te lezen en een appel te eten. Wanneer ze me hoort, kijkt ze me op van haar boek, springt op en stoot vreemde kreten uit. Ze danst om me heen. Haar ogen flitsen. Ze begint  half zingend te praten.

‘Jij zal me van alles leren.  Lezen, koeien melken, zingen over de apaches, jij gaat over mij waken en me de sombere uren doen vergeten. De lucht wordt blauw, ik wil om het vuur dansen ‘s avonds en dan slapen in de melkweg. Ik heb te lang aan de wortels van paardenbloemen geknabbeld, ik heb teveel nachten gehuild. Overdag heb ik teveel met grizzlies en kleine muisjes gespeeld. Daar heb ik genoeg van.’

‘Leren lezen?’ Ik zeg maar wat, om mijn verbazing te camoufleren.

Het hele hol is vol boeken. Aan de wanden, op het meubilair, op de vloer, overal boeken.

‘Ja. Je moet me weer leren lezen. Ooit heb ik kunnen lezen. Deze boeken zijn mijn vrienden, maar ik kom niet meer aan ze toe. Ik heb het te druk met boeken verkopen. Toch  komen er steeds meer boeken bij, want ik kan ze uit de bomen schudden. Boeken zijn voor mij te verleidelijk, ik kan het schudden niet laten. Er vallen er veel meer dan ik kan verkopen. Ik heet Sarah. Hoe heet jij?’

‘Ik heet Albert Waterhondt’

‘Waar kom je vandaan?’

‘Uit de Landen van Herwaarts over’, les Pays de Par-Deça, wij vielen ooit onder de hertog van Bourgondië, we zijn nog steeds tweetalig, net zoals de Belgen. Wist je dat? ‘

‘Natuurlijk weet ik dat. Toch is jouw Frans is wat approximatif.’

‘Ik ga op reis’, zeg ik.

‘Waarheen?’

‘Naar Japan. Per boot. Morgen ga ik naar het kantoor van de Messageries Maritimes aan de Place Sadi Carnot hier vlakbij, om mijn boeking te bevestigen. Ik ben nu op weg naar de haven, om alvast naar de boot te kijken. Ik kan niet wachten. Ik wil snel weg en  zo lang mogelijk wegblijven, wie weet voor altijd.’

‘JAPAN? Ci Pango?  Fantastisch, daar wil ik ook naar toe, daar sterven de mensen gek en gelukkig! Ik heb altijd al ontdekkingsreizigster of zo willen worden.’

‘Ik heb Frans gestudeerd en wil nu me nu bezig gaan houden met de kunstgeschiedenis van China, Japan en Zuid-oost Azië. Omdat ik het niet uithoud in het land van herwaarts over, heb ik contact gezocht met jullie École Française d’Extrême-Orient in Parijs. Die zochten iemand die goed Engels en Duits leest. Zoals je hoort spreek ik een aardig mondje Frans. Dat approximatieve zal op den duur wel slijten.’

‘Dat denk ik ook’, zegt Sarah, het slijt nu al een beetje.’

‘Ik ben voor onbepaalde tijd in Tokyo geplaatst, bij La Maison Franco-Japonnaise.’

Sarah moet verder met haar werk, ik vervolg mijn weg naar het Bassin de La Joliette, waar ik de boten al uit de verte kan zien liggen’

(wordt vervolgd)

Print Friendly, PDF & Email
Deel dit artikel
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  

Het ei X (13) Joris-Karl Wiesmans

 Door Albert Waterhondt

Wat een apart meisje, daar in Le Passé Simple, ik moet proberen wat meer te weten te komen. Halverwege het Bassin de la Joliette ga ik terug naar haar boekenzaak.
Ze is gekalmeerd. We kijken elkaar nieuwsgierig aan. Ze is erg klein maar ze lijkt me ongeveer van mijn leeftijd te zijn. Hoe kan zo’n jong iemand al zoveel gelezen hebben? Ik vraag het haar.

‘De meeste boeken hier heb ik echt gelezen. Ik ben vroeg begonnen.’
‘Hebben je ouders dat aangemoedigd?’
‘Ouders? Ik heb geen ouders. Soms vraag ik me af of ik ooit geboren ben. Misschien ben ik wel een golem, die zijn ook zo klein. Toch schijnt het dat ik geboren ben. Voor zover ik heb kunnen nagaan heeft mijn vader mij als pas geboren baby meegenomen uit het buitenland en daarna bij een boerin afgegeven. Een nourrice noemen we dat hier, een voedster. Ik vond haar vast niet lekker en heb haar gebeten. Want toen ik een kleuter was wilde ze van me af en heeft ze mij naar een gesticht gestuurd. Daar kan ik me iets van herinneren. Het was verschrikkelijk. Als ik in mijn bed had geplast moest ik het midden van de slaapzaal op een po zitten en dan sprongen de andere kinderen lachend en treiterend om mij heen.’

‘Waarom is je vader je daar niet weg komen halen?’
‘Ik heb geen enkele herinnering aan hem. Hij is de dag na mijn geboorte naar dit land gekomen en heeft me hier geregistreerd. Als beroep gaf hij op gynecoloog. Toen ik zes jaar  oud was ging ik naar een ander gesticht. De administratie daar heeft iets over hem uitgevonden. Dat hij Jood was. Meer hebben ze niet van hem of over hem gehoord. Hij is verdwenen in de oorlog. Meer weet ik niet.

Ik ben hier nog geen half uur binnen. Ik ben verbijsterd over deze stortvloed van ontboezemingen. Maar ze klinkt wel serieus, ik geloof niet dat ze me wat op de mouw speldt.

‘Vertel je dat aan iedereen die hier binnenkomt?’
‘Nee, jij bent de eerste. Ik weet eigenlijk niet waarom ik dat er zomaar uitgooi. Zeg je naam nog eens? Watron? Watéron?’
‘Waterhondt. Zo heette het vrachtschip van mijn verre voorvaders. Daar zeilden ze mee naar jouw land, om wijn te halen. Thuis jaagden ze met waterhonden op eenden, in de moerassen. Vogelen, heette dat. Dat soort honden is gek op water, ze willen niets liever dan nat zijn. Hun vacht is een beetje vettig.’

‘Natte hond, natte hond, dat doet me ergens aan denken… ik heb het! Aan een roman van Joris-Karl Wiesmans’.
‘Wiesmans? Hoe spel je dat?
‘H, U, Y, S, M, A, N, S’
‘Dat is een naam in mijn taal!

‘Kan kloppen, zijn vader kwam uit jouw land. Wiesmans heeft een heel bijzonder boek geschreven. Over een man die een liederlijk leven had geleid en zich daarna had teruggetrokken in een huis in de buurt van Parijs, in Fontenay aux Roses. Dat huis had hij zo ingericht dat hij nooit meer weg hoefde. Alles werd afgewerkt volgens de laatste snufjes en kleuren. Toen hadden ze ook al design en kleurenschema’s, die man was behoorlijk decadent.’

‘Hoe deed hij dat?’
‘Nou, bijvoorbeeld, hij bouwde in het midden van zijn immense eetkamer nog een kamer, een grote doos waar je om heen kon lopen. Die richtte hij in als een geriefelijke scheepskajuit met alles erop en eraan. Patrijspoorten, sextanten, verrekijkers. Voor een paar lage patrijspoorten had hij aan de buitenkant een groot aquarium tegen de wand laten plaatsen.Vissen en zeemeerminnen incluis. Zo kon hij onderzee kijken. In die kajuit was hij voortdurend op reis. Hij had een grote schildpad met edelstenen laten bezetten maar dat heeft het beest op den duur niet overleefd.’

‘Zo iemand noemen we in mijn land een huismus, je schrijft het ongeveer zoals Huysmans, die twee woorden betekenen ongeveer het zelfde. Jij zou het uitspreken als wiesmuusse.’ Ik leg haar uit wat men met de uitdrukking ‘huismus’ bedoelt.

‘Chic!’ zei Sarah.

‘Het is maar hoe je het opvat, maar  zeg op, hoe zit dat met die natte hond?’
‘Op een dag, een paar jaar later, had hij toch even genoeg van al dat thuis zitten dus hij wilde weer een echte reis maken. Er waren maar twee plekken die hem interesseerden. Holland en Londen. In Holland was hij al geweest maar dat was hem erg tegengevallen.’

‘Waarom?’
‘Omdat het daar heel anders was dan op de schilderijen van Ruysdael en zo. Hij bereidde zijn reizen altijd heel goed voor, in zijn hoofd. Hij had zich Holland voorgesteld zoals op die schilderijen van jullie. Dus nu wilde hij naar Londen. Hij had er veel over gelezen en dat had hem nieuwsgierig gemaakt.’

‘Dus daar is hij naar toe gegaan.’
‘Ja en nee’. Hij reisde via Parijs. Hij was zo nieuwsgierig dat hij daar alvast naar een café ging waar veel Engelsen kwamen. Hij had een nerveus temperament, zie je.  Hij wilde altijd alles snel, aan wachten had hij een hekel. In dat café hadden ze bierpompen dus die Engelsen voelden zich daar thuis. Hij bestelde fish and chips, een portie Stilton en een biertje en ging zitten kijken. Toen ging de buitendeur open en een groep Engelsen kwam binnen waaien, met een sterke geur van natte hond en vetkolen. Toen hij dat rook, rekende hij af en ging terug naar huis. In zijn hoofd was hij al helemaal in Londen geweest. Het was al niet meer nodig voor hem om op de trein en de boot te stappen. Zie je wat ik bedoel? Je kan alles beleven door alleen maar boeken te lezen.’

‘Wat een origineel verhaal’, zei ik.
‘Verhaal? Het is echt gebeurd! Die Wiesmans begreep dat. Ik ook. Jij niet? Dat zou me van je tegenvallen!’, zegt Sarah.

(wordt vervolgd)

Print Friendly, PDF & Email
Deel dit artikel
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  

Het Ei X (14)

Door Albert Waterhondt

Ik vermaak me uitstekend in de Librairie Le Passé Simple in Marseille.  Het meisje dat de boeken uit de bomen kan schudden zegt dan wel dat ze het druk heeft en moet werken, maar ze gaat door met het vertellen van haar fantastische verhalen. Na een tijdje begin ik er in te geloven. ze is erg overtuigend. Ze zegt dat ze alles echt meemaakt, ze hoeft er niets voor te doen of voor op te zoeken. Ze zegt:

“Mijn omgeving helpt, moet ik zeggen. Bijvoorbeeld, er is hier in de buurt een begraafplaats. Daar zit altijd een oude man. Hij heeft zich verstopt achter een grafsteen met uitzicht op zee. Daar schrijft hij zijn memoires terwijl hij over die tombe heenkijkt. Hij vult het ene notitieboekje na het andere. Dat wordt gedrukt en de mensen lezen dat graag. Hij zit onder een grote oude boom waarin vaak een zanglijster zit te zingen. Dat gezang is goed voor  zijn geheugen, beweert hij. Wat heeft die man het druk. Hij zegt dat hij nooit rust heeft gehad. Behalve toen hij het leven sliep gedurende de negen maanden in de buik van zijn moeder. Zijn leven sliep, hoor je dat goed? Daarna was hij altijd druk geweest  en hij denkt dat hij pas rust zal krijgen als hij slaapt tussen de ingewanden van onze moeder aarde. Daar wil hij nog niet naar toe. Zijn vriendin leeft ook nog. Die is blind maar niet levensmoe, ze houdt van hem en is vastbesloten om  hem te overleven. Dan blijft hij tenminste schrijven. Dankzij haar en doordat de mensen hem blijven lezen gaan ze geen van beiden dood.”

Ze wijst naar de open deur. Ik zie aan de overkant van de straat een kaarsrechte meneer langs lopen. Er zweeft een gouden aureool om zijn hoofd.

“Dat is mijn vriend die me af en toe taart brengt”, zegt Sarah. “Hij is zo verschrikkelijk rechtschapen dat de Allerhoogste, De Naam,  hem permanent voorzien heeft van een aureool. De hoogste rang van genade. Maar hij vindt zelf dat hij voor gek loopt en wil er van af. Eerst heeft hij een hoed met een brede rand gekocht om het te camoufleren, maar dat loste niets op. Toen is hij licht gaan zondigen, zoals liegen en stelen, in de hoop dat De Naam hem het aureool zou afnemen. Zonder succes. Een tijdje terug  heeft hij het zondeniveau opgevoerd. Eerst met overspel. Hielp niet. Nu gaat hij dagelijks naar het huis om de hoek, naar de lichte dames. Daar voert hij het niveau verder op. Hij is begonnen met een quasi-maagdelijk boerenmeisje. Nu zit hij al bij de harde kern. Als het hem dan nog niet lukt wil hij beginnen met SM. Hij heeft me dat gisteren zelf verteld, aan de taart. Hij is erg ongelukkig dat De Naam hem stug rechtschapen blijft vinden. Trouwens, ik zie ook een soort glans om jouw hoofd, ik zag het al toen je binnen kwam, ik ging niet voor niets om je heen dansen.”

“Niet overdrijven”, zeg ik. “Heb je nog meer van die leuke verhalen?”

“Luister je wel goed? Het zijn geen verhalen, het zijn  belevenissen!” Sarah begint weer een beetje vreemd te doen. “Ik hoef niets te eten. Ik eet wel een appel per dag maar dat is voor de variatie,  eigenlijk heb ik die niet nodig. Ik krijg picturale voeding.”

“Picturale voeding?”

“Hier in de straat is een galerie en daar verkopen ze voedzame schilderijen. Als je daarnaar kijkt, voel je je aansterken. Je kijkt net zo lang als nodig is om een voldaan gevoel te krijgen. De laatste tijd worden er veel picturale diners gegeven, heel chic, de mensen gaan er in avondkleding naar toe. Voor een rustige doch voedzame avond. In stilte, want stilte is ook heel voedzaam. Kijk maar eens.”

Ze wijst op het enige plekje aan de wand waar geen boeken zijn. Er hangt een schilderij van een kale man op een paard. “Dat is mijn voedzame Condottiere”, zegt Sarah. “Ik hoef maar naar hem te kijken en ik heb gegeten en gedronken. Ik heb het in deze kooi erg naar mijn zin. Af en toe, wanneer ik de zon met haar arm over het raam  zie strijken, wil ik niet werken. Dan rook ik een sigaret en ik droom van alles  in  de wolken van goud en rook die ik uitblaas. Maar nu is het jouw beurt, vertel eens iets over jezelf.”

(wordt vervolgd)

 

Print Friendly, PDF & Email
Deel dit artikel
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  

Het Ei X (15)

Door Albert Waterhondt

“Nou, ik zei je al dat ik op weg ben naar Japan, ik heb een baantje gekregen bij La Maison Franco-Japonnaise in Tokyo”, zeg ik tegen Sarah, het meisje met de stekelharen en haar neus in de boeken.

“Daar heb ik over gelezen”, zegt ze, “Paul Claudel heeft dat helpen oprichten in de jaren 1920. Hij was daar toen Franse ambassadeur. Hij schreef ook literatuur. Leuk voor jou. Maar denk niet dat je van je moeder af komt door naar de andere kant van de wereld te vluchten. Het is effectiever om in je hoofd te gaan leven, zoals ik. Je moet gaan lezen. Toen ik van het eerste gesticht naar het tweede was gegaan, ging voor mij de wereld open. Die school had een grote bibliotheek, die steeds werd aangevuld met nieuwe boeken. Van mijn zesde tot mijn twintigste heb ik dag en nacht gelezen, het ene boek na het andere. Op mijn dertiende las ik al L’Étranger van Camus, dat boek vond ik toen vreselijk. Pas herlas ik het en nu vind ik het prachtig, omdat ik nu pas begrijp wat hij bedoelt. Eerst vreselijk, dan prachtig. Zo voed je jezelf op en week je je los van je verleden. Ik las zelfs in de klas, ik had altijd een boek in mijn lessenaar en las stiekem onder mijn schriften. Ik las ook altijd onder de dekens, met een zaklantaren. Maar vertel eens wat meer over je moeder, zo erg kan dat toch niet zijn geweest? Vertel op, wees vooral niet bang dat ik je vind zeuren.”

Ik vertel. Een paar uur lang. Zij luistert.

“Dit is inderdaad een ernstig geval”, zegt Sarah. Ik herken het. Hervé Bazin. Vipère au poing. La mort du petit cheval. Die twee boeken gaan over een jongen met net zo’n moeder. Zijn broer en hij noemden haar Folcoche. Dat is niet zo mooi uit de mond van zoons, folle cochonne. Die moeder had het er dan ook naar gemaakt, ze was nog erger dan die van jou. Die jongen vluchtte ook uit huis toen hij student was. Hij trouwde met een lieve modinette, ze kregen een baby toen hij nog studeerde. Toen werd zijn moeder nieuwsgierig en kwam kijken. Ze keek rond in hun schamele kamer, ze keek naar het naaistertje en hun baby, ze keek haar zoon strak in de ogen met een beladen blik en zei: “La mort du petit cheval”. Toen ging ze weg en sloeg de deur achter zich dicht. Dus wees nu maar niet zo verdrietig, je bent niet de enige. Ik heb La mort du petit cheval  hier, een opdracht exemplaar op mooi papier, in de originele editie. Kijk maar. Hervé Bazin heeft iets eigenhandig onder de titel geschreven, in groene inkt.”

Ik lees: “ou la résurrection du cavalier”. Ik voel me plotseling op mijn gemak. Vertrouwd. Ik zeg: “Hoe is het mogelijk. Jij bent de eerste die mijn probleem niet raar vindt. Zo iemand ben ik nog niet tegengekomen. Zo heb ik me altijd een zus voorgesteld. Mijn leven lang ben ik ‘s ochtends beklemd zusterloos wakker geworden, zie je. Hoe oud ben jij eigenlijk?”

“Ik ben eenentwintig.”
“Ik ook”, op welke datum ben jij geboren?’

Het blijkt mijn geboortedag te zijn.

“Ook toevallig”, zeg ik.
“Niets is toeval”, zegt Sarah, “iets valt je toe, zoals een dobbelsteen, dat noemen wij hier Le Beau Hasard. Als het mooi is, dat wel.”

(wordt vervolgd)

Print Friendly, PDF & Email
Deel dit artikel
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  

Het Ei X, deel 16, slot

 Door Albert Waterhondt

Tokyo, September 1956. Ik geniet van de zon, de mensen, de planten en de bomen in Kokyogaien, het park bij het Keizerlijk paleis. Ik wandel langs de paleisgracht die om het hele complex loopt. Ik zie prachtige karpers, mijn Franse reisboekje zegt dat het er ongeveer driehonderd in deze gracht rondzwemmen.

Ik zie op het gras een zwartharig meisje liggen. Ze ligt te zonnen. Tot mijn verbazing ligt dicht naast haar een  prachtige zwarte zwaan. Hij kijkt speurend in het rond. Alsof hij haar bewaakt. Het meisje  gaat zitten als ze me ziet aankomen. Ze ziet er Europees uit. Ik spreek haar aan in het Engels en zeg dat ik Albert Waterhond heet.

De zwaan vindt mij teveel en laat zich in het water glijden.

Het meisje  stelt zich ook voor. “Leda”, zegt ze, “je hoeft geen Engels te praten, ik ben Nederlandse.” Ze vraagt me wat ik hier doe. “Ik werk hier bij de Maison Franco-Japonnaise”, zeg ik en vraag waarom zij in Tokyo is.

“Ik heb de zwarte band met judo”, zegt ze. “Ik ben hier om de vierde dan te halen. In de beroemde Kodokan dojo. Ik heb van kind af aan Dick Bos boekjes gelezen en  toen stond mijn toekomst voor mij vast. Ik wil mijn eigen dojo beginnen. Alleen, ik heb plotseling een probleem. Ik voel me hondsmisselijk en ik ben al meer dan twee maanden over tijd. Ik ben op zoek naar een dokter die me kan verstaan. Spreek jij soms Japans?”

“Nee, maar ik wil wel met je meegaan. Ik zal morgen op het instituut vragen of ze een Japanse dokter kennen die Frans of zo spreekt. Heb je een vriend? Je bent natuurlijk in verwachting.”

“Wat denk je wel van mij ! Ik  laat me door geen man aanraken. Er  is iets vreemds  met mij aan de hand, ik ben altijd precies op tijd. Vind je die zwaan niet mooi? Prachtig, dat zwart. Ik vind hem net een ninja. Hij laat toe dat ik hem langs zijn zachte glanzende nek aai. Dat vindt hij lekker en ik  krijg er ook een lekker gevoel van. Soms word ik er zo ontspannen van dat ik ga liggen en naast hem in slaap val. Dan waakt hij over me. Als ik wakker word ligt hij er nog steeds.”

We spreken een tijd af voor de volgende dag, bij la Maison. Als ik wegloop kijk ik af en toe om en zie dat ze langzaam de andere kant oploopt. De zwarte zwaan glijdt achter haar aan.

De volgende dag komen we bij de dokter. K. Ogino staat er op de deur. Hij onderzoekt Leda.

“Gefeliciteerd, U bent in verwachting,”zegt hij. “U had eigenlijk al iets eerder moeten komen want u bent het al drie maanden. Maar wees gerust,  alles is in orde.”

Wanneer we buiten lopen is Leda buiten zich zelf.

“Hoe kan dat? Hoe moet dat met mij?” zegt ze tegen me. “Hoe kan ik een kind combineren met mijn dojo?  Dit is een regelrechte ramp!”

“Ik heb de hele nacht liggen denken,” zeg ik. “Als ik nu eens met jou terugga naar Nederland? Jij runt je sportschool en verdient het geld, en ik zorg voor het kind. Dan kan ik dag in dag uit Franse boeken lezen, mijn tweelingzus heeft een tweede-hands boekenzaak  en die zorgt wel voor de lectuur. Ik heb erg veel leesachterstand in te halen.”

“Wat een meesterlijk idee”, zegt Leda. “Waar woont die zus van je?”

“In Marseille.”

“Lekker rustig,”zegt Leda.

Drie maanden later, wanneer we bezig zijn onze koffers te pakken, zegt Leda:

“Ik sprak vanmorgen in een warenhuis een aardige Japanse mevrouw, die  even ver zwanger bleek te zijn als ik. Ze zei dat ze jaloers was op mijn buik. Die vond ze veel mooier dan de hare, zo  prachtig rond. “Net een ei”, zei ze. Ze zijn hier in de verloskunde erg ver. Ze weet nu al dat ze een zoon gaat krijgen. Hij gaat Tatsu heten, dat betekent draak in het Japans. Men denkt hier dat draken hele sterke watergeesten zijn. Dat vindt ze een mooi oer-idee.”

“Heb jij al eens aan een naam gedacht?” zeg ik.

“Natuurlijk niet,” zegt Leda. “Ik heb geen enkel aanknopingspunt voor wat er in mijn buik zit en waar het van af stamt.”

“Weet je wat?”, zeg ik,  “we noemen het schepsel het Ei X.”

 Einde.

Print Friendly, PDF & Email
Deel dit artikel
  •  
  •  
  •  
  •  
  •