de verhalencurator
verhalen over het echte leven en creativiteit

een blog van jan doets

Een tijdsbeeld. 1933, slechts tachtig jaar geleden. De economische wereldcrisis duurt voort, in Duitsland is Hitler net aan de macht gekomen. Het leven van een jonge diplomaat in Spanje.

Madrid is in de zomer smoorheet, airconditioning bestond destijds niet, dus een groot deel van de Spaanse Regering verhuisde jaarlijks van 1 juli tot 1 october naar San Sebastian aan de Atlantische kust. Zo ook hun Ministerie van Buitenlandse Zaken. Van de buitenlandse diplomatieke vertegenwoordigingen werd verwacht dat ze zouden mee verhuizen.

De diplomaten gaven daar hun eigen uitleg aan. De meesten zorgden ervoor dat ze in San Sebastian een kantoortje hadden in de vorm van een hotelkamer, waar ze een paar uur per dag zaken konden afhandelen, maar ze gingen in pension net over de grens met Frankrijk, in Saint-Jean-de-Luz. Daar waren moderne luxe hotels en restaurants, een casino in La Pergola, chique modezaken, een prachtig strand aan een beschutte baai, uitvalswegen in alle richtingen, zoals naar de lage Pyreneeën, bossen, golfcourses en natuurlijk naar andere mondaine badplaatsen zoals Biarritz, iets ten noorden.

‘s Avonds was de Bar Basque het trefpunt waar diplomaten hun informatie uitwisselden. Zij huurden meestal voor drie maanden kamers, in grote baskisch uitziende villa’s met namen als Villa Mauresque of Villa Hélios – of in kleine hotels zoals Guerníka, gerund door een Engelsman, een zekere Simpson, voormalig geheim agent. Hij kon voortreffelijk koken,  dus men ging ook naar hem toe ‘pour la bonne bouffe’, als variatie op de dure restaurants. In Saint-Jean-de-Luz kwamen ook bemiddelde zomergasten uit Parijs.

De vrouwen en kinderen kwamen vooruit, de mannen volgden in Augustus. De meeste logeergasten kwamen elk jaar terug en vonden dan bekende gezichten. Ook het echtpaar Flaes had zulke vaste kennissen, waaronder Mme Vérépayeff, een zigeunerachtige roodharige Russin met haar zoontje Auguste en een Mme Zoebisch, een Parisienne. Op de volgende foto flankeren zij Marguerite, die blijkbaar net terug komt van het winkelen.

Zij zouden hier elke zomer terugkomen van 1933 tot en met 1938, dus ook ten tijde van de Spaanse Burgeroorlog. Het zomerse leven in Saint-Jean-de-Luz beviel Terborgh uitstekend. In de zomer van 1933 had hij alle tijd om te lezen, te schrijven en zijn toekomstige tochten door Spanje voor te bereiden. Hij las onder andere La Condition Humaine van Malraux, net verschenen.

Hij verving zes weken de Gezant toen die op verlof was maar daarna, toen zijn vrouw vroegtijdig naar haar moeder in Zwitserland was vertrokken,  maakte hij een autotocht door Frankrijk met zijn zus Edith, die in Parijs werkte. Daarna ging hij zelf met verlof, naar zijn  moeder in Duitsland en naar zijn echtgenote en schoonmoeder in Zwitserland.

Van Spanje had hij nog steeds niet veel gezien behalve heen en weer tussen Madrid en Saint-Jean-de-Luz en enige dagtochten zoals naar Avila en Toledo. Op de terugweg uit Frankrijk werd in Saint-Jean-de-Luz een hond gekocht die in Noord-Spanje bij een tussenstop verdween, ‘achter Burgos. Mooie nacht, uren gewacht, alleen verder naar Madrid’ (zijn vrouw en een gedienstige in een hotel achterlatend om verder te zoeken) ‘de volgende dag weer teruggegaan, de hond gevonden op het veld,  bij km paal 190 met herders gepraat’.

Op 1 november was hij terug in Madrid. Ondanks de zeer slechte wegen had de auto goed gewerkt, behoudens ‘enige mankementen aan de stuurinrichting’ hetgeen blijkbaar niet ongewoon was in die tijd. Hij begon direct met te schrijven, indrukken te noteren en weer uit te rijden:

De aanloop gisteren gelukt. Twee bladzijden, dragelijk begin. Overigens prachtig weer: naar buiten gereden, naar Torrelodones. Het lijkt me of ik Spanje nu pas ontdek – althans rustiger bekijk. Prachtige zon en stilte op de weg. Af en toe een schot – dan schreeuwen eksters – dan een zwerm kraaien die de heuvel opvliegen. De kleur van de Sierra is in wezen die van het duinlandschap – alleen steken overal verweerde granietblokken het hoofd op – indruk van verwildering. Guadarrama diepblauw – mooi scherpe contouren in lichtere hemel – om sommige toppen hangt een merkwaardige dichte donzen wolk – lang en smal – de kleur nauwelijks merkbaar naar een blauwachtig paars toe. In de rug prachtig gezicht op de stad in de vlakte bij zonsondergang. De kleuren daar van wijnrood tot paars. Wijd – immens wijd – weer blauwe bergen in het zuidwesten. De lokkende steeneiken in de Sierra. Het pijnbos op de weg terug bijna giftig groen.’

Het eerste jaar van de jonge diplomaat zat er haast op. Nu ging het echte werk beginnen. Daarmee had hij voor: zoveel mogelijk rondreizen en schrijven.

Op de foto’s hieronder ziet men hem in zijn zomerse werkverblijf, links met Mme Zoebisch en rechts met zijn vriend de Deense diplomaat Tage Bull, vergezeld door Mme Vérépayeff.

Print Friendly

De jaren die Terborgh in Spanje heeft doorgebracht, van 1933 tot en met 1938, hebben zijn persoonlijke leven en zijn literaire werk diep beïnvloed. In 1934 maakte hij intensief kennis met het landschap van de Spaanse meseta en van het Zuiden van Spanje, hij ontmoette Slauerhoff twee keer vrij langdurig, een keer bij ‘Slau’ thuis in Tanger en een paar maanden later bij hem zelf thuis in Madrid.

Samen met twee bevriende diplomaten ondernam hij een reis naar Portugal. In 1935 bleef hij de meseta en het Zuiden van Spanje intensief exploreren, de Italiaans-Nederlandse literaire criticus Giacomo Antonini kwam langdurig bij hem langs op de heen-en terugweg naar en van Tanger om de inboedel van Slauerhoff te beredderen, het begin van een levenslange boezemvriendschap.

Vanuit Saint-Jean-de-Luz ondernam hij een ontdekkingstocht door de Vallée du Lot in Frankrijk. Deze ervaringen uit 1934 and 1935 vormden de grondslag voor zijn meest bekende boek: Het gezicht van Peñafiel. In de periode 1936-1938 werd zijn aandacht geheel opgeëist door zijn verwikkelingen in de Spaanse burgeroorlog, die hun neerslag hebben gevonden in bijvoorbeeld zijn novelle Santa Cruz.

In de tweede helft van 1933 en in de eerste maanden van 1934 begon Terborgh’s vrouw Marguerite spijsverteringsproblemen te krijgen, die tegenwoordig als aneurexia zouden worden aangeduid. Besloten werd dat ze zich in Zwitserland zou laten onderzoeken door een vertrouwde arts. Op 19 februari 1934 bracht Terborgh haar met de auto naar Hendaye en zette haar daar op de trein.

Zij bleef weg tot 8 april en in de tussentijd ging hij alleen op ontdekkingstocht. Reeds  de tocht naar Hendaye en terug naar Madrid beschreef hij in detail in zijn dagboek. Het is jammer dat hij niet, zoals later Cees Nooteboom, naast zijn romans ook reisboeken heeft geschreven:

Maandag 19 Februari: Vroeg naar Irun. In Lozoyuela een hond overreden. Op 270 km van Madrid in heerlijke voorjaarszon langs de weg gegeten. Het licht is nog ijl – de zon staat laag – op stammen en weg zijn veel schaduwen. Misschien juist daarom geniet men meer – sneeuwresten langs de weg – een enkele tjilpende vogel. Op een kale jonge olm zitten enkele eksters zich in de zon te koesteren. De wegen reeds geheel sneeuwvrij. Weer de verkeerde weg over Vergara  genomen – tegen vier uur een lekke band. Goed gegeten in het Hotel du Midi te Hendaye – villa “irréprochable et très abordable”, volgens een mindere stationschef – kort afscheid.

Dinsdag 20 Februari: Terug langs de weg over Alsasna [?]- vlugger en breder – ten dele zeer schilderachtig – een volgende keer Salvatierra te bekijken – er is een gotische kerk waarvan het bouwplan vierkant schijnt te zijn. De indruk van een vergaderlokaal. Het land tot Vitoria vlak – goede straat – een vaagheidsachtige indruk – bruine kleuren. Soms herinneren dorpen aan de Jura streek. Gisteren, komende, een twintigtal kilometers vóór Aranda del Duero, werden de heuvels een groenachtig wit – een heel licht soort olijfgroen, soms moeilijk van vuil-wit te onderscheiden: wijnrode lagen eronder. Velazquez-kleuren. Heiïge lucht. Een volgende keer Lerma te bekijken – men rijdt in de regel veel te vlug. De 17e eeuwse Duque schijnt er gebouwd te hebben.

Vóór Burgos merkwaardig kale heuvels – ik weet niet hoe, maar het herinnerde me aan de wijnheuvels in het Rijndal. De torens van de kathedraal van het Noorden gezien herinneren een ogenblik aan het landschap van Chartres. Weer op de 270 km langs de weg gegeten. Aranda del Duero een volgende keer eens te bekijken. Nu doorgereden: om half vijf in Sepulveda.

Prachtige binnenkomst. Een Toledo-achtige situatie – uitgestorven gat – vroeger waren er zeven poorten – reeds in de Romeinse tijd. Nu zijn er slechts nog de zeven sleutels van over, die een gebochelde toont in een aandoenlijk cafardeus raadsgebouw. Enkele interessante Romaanse kerken – één vooral boven op de berg met een mooie arkadengang in warm avondzonlicht.   Merkwaardig hoeveel wereldlijker romaanse gebouwen dan gotische zijn. Steeds iets paleisachtigs – altijd dezelfde geheimzinnige lokkende atmosfeer van Sion of Poitiers.

Ontdekkingen gaan pas langzaam – maar ik begin iets van een heel ander levensgevoel te begrijpen – ruimer en menselijker dan in latere eeuwen. Bloemen en zon, geen pijen. Op het stadsplein een  fonda ergens op een tweede verdieping; dacht een ogenblik dat m’n gids me naar een vrolijker soort huis wilde brengen. Van een der achterkamers prachtig uitzicht op een oud-kastiliaans landschap – hard en leeg, maar in de avond van een haast innige stemming. Het nest heeft geen twee duizend inwoners meer – uit een der kerken kwam de confrèrie – ergens een stervende. Terug door de olmenlaan naar de grote straatweg – een volgende keer enige fotografieën te maken. In het avondlicht prachtige sneeuwbergen voor me – rechts de verderaf liggende Guadarrama groep – links de Somosierra groep – Monte de Montejo – het massief is wel 35 km diep. Een volgende keer Buitrago te bezoeken – ietwat vochtige, heerlijke koelte – dorpslichten, schaarse lampen langs de weg – zoekende autolichten van auto’s in bochten.  

Thuis aangekomen, besloot hij een paar dagen later weer te gaan toeren. Op Zaterdag 24 februari maakte hij een tweedaagse reis naar Valladolid over Segovia, Medina del Campo, Coca en Simancas, de dag erna terug over Portillo, Cuellar en Peñafiel.

Onder dit artikel het kasteel in Portillo, met zijn auto – een bezienswaardigheid. Spanje was zeer arm, de wegen waren niet of slecht geplaveid, de kastelen waren in een ernstige staat van verval.

 

Print Friendly

Op zondag 25 februari 1934, op de terugweg van Valladolid naar Madrid, reed Terborgh eerst langs Portillo en Cuellar alwaar vervallen kastelen bekeken en gefotografeerd werden met een eenvoudige 6×9 cm camera. Verder rijdende, doemde hoog in de verte het vage beeld op van een enorm kasteel: Peñafiel. Alles ongelofelijk triest – heiige lucht – metaalkleurige tinten. Weer dit merkwaardige gevoel een landschap terug te vinden. Haza – dreigende stad op de heuvel. De weg verloren – eindelijk op Carretera de Francia uitgekomen. Bij zonsondergang nog even Buitrago bekeken.

Terborgh zou in de jaren die volgden nog vaak bij Peñafiel terugkomen. Het gezicht van dit vervallen fort en vooral het gezicht vanaf het nabijgelegen klif van Haza hadden hem geïnspireerd tot het schrijven van zijn meest bekende novelle: Het Gezicht van Peñafiel.

Hij werkte aan dit boek van 120 pagina’s van 1934 tot  1946.  Aanvankelijk veranderde de opzet voortdurend. Hij overlegde soms over de bedoeling en zelfs over de ‘plot’ in gesprekken met vertrouwde vrienden zoals Giacomo Antonini in Parijs en Père Pierre Teilhard de Chardin in Peking.

Het boek verscheen uiteindelijk bij A.A.M. Stols in 1947. Het is een prachtig en spannend verhaal, beklemmend ook en enigszins hermetisch. Vandaag nog steeds zeer de moeite waard om te lezen. Mijns inziens schaart hij zich met dit boek niet in de rijen van Nederlandse schrijvers van zijn tijd maar eerder in die van auteurs zoals als de Fransman Julien Gracq en de Italiaan Dino Buzatti.

Het  boek leverde hem in 1947 zowel onbegrip als lovende kritieken op. Hij schreef daarop in zijn auteursexemplaar een voor hem zeer typerend commentaar:

Op het ‘gezicht’ voorbereid door het volkomen onwerkelijke licht, groenachtig en staalblauw onder een heiig, licht wolkendek, dat niet eens die naam verdiende. Vermoedelijk werd deze beklemmende straalbreking veroorzaakt door stof in de lucht. Soms komt het met stormwind uit Afrika en wordt vele honderden kilometers ver door de lucht gedragen voor het neervalt.

Het ‘gezicht’ echter niet op de toren gehad, maar daarna, toen ik al verder reed, oostelijk, in de richting van de straatweg Burgos-Madrid. Het was op een klif, ten Noorden, aan de linkerhand. Heb het nog willen benaderen, maar de weg leidde er van weg, niet er naar toe. Daarna viel wat regen, slechts kortere tijd. En op de weg naar huis reeds het eerste plan voor een novelle opgevat: Het ‘gezicht’ zoals hier beschreven hield, in de eerste opzet, de zwerver zo sterk bezig dat hij, niet oplettend, op een zwaardere tegenligger inreed, en een noodlottig ongeval aan zijn overpeinzingen een einde maakte. Deze eerste opzet spoedig laten varen.

Overwogen dat ik in de omlijsting van de oorspronkelijke ervaring allerlei andere indrukken kon verwerken, die me sedert lang bezig hielden. – daardoor is geleidelijk aan deze wat zwaartillende Baedeker ontstaan, waarmee menig lezer geen raad weet. Het werk wendt zich tenslotte slechts tot hen die open staan voor gelijke ervaringen.

The happy  few.                 29.II.48.

Print Friendly

 
Ooievaars in Oropesa, sinds onheugelijke tijden

Na terugkeer van zijn rondreis over de Meseta begint Terborgh terstond met het plannen van een ‘Paaschreis’ met de gezant Nepveu, zijn grote vriend de Deense diplomaat Tage Bull en de Portugese gezant de Viconde de Riba. Hij laat zijn auto goed nakijken en vier nieuw banden omleggen.

Terborgh tekent tijdens en na de reis het volgende aan in zijn dagboek en geeft weer blijk van zijn uitzonderlijk goede observatievermogen en een schrijfstijl die we uit zijn literaire werk niet kunnen vermoeden:

Donderdag 29 maart. Vertrokken naar Oropesa, Merida via Trujillo. Het weer is niet slecht – bedekt – maar eerder nevels dan wolken. Weinig geslapen. Merida. Tussen regen en zonneschijn. In Oropesa een Parador gebouwd in fragmenten van een oud, niet al te interessant kasteel – maar zeer genoegelijk. Op de daken en torens der omliggende kerken wel 40 klepperende ooievaars geteld – zeer amusant.  Naar Trujillo.

Mooie overgang over de Taag. Sierra-achtige landschappen – mooie, soms haast hollandse dreigende luchten. In Trujillo niet gebleven – het landschap wordt zuidelijk. Veel groen reeds en weidebloemen – cactussen temidden van rotsen – meer zon. De weg wordt beter. In Merida van 5 tot 7 rondgewandeld. Romeins theater vrij compleet maar gedrukt en stoffig zoals helaas meestal dergelijke resten. De Romeinse waterleiding met de ooievaars erop zal wel niet veranderd zijn in de loop der eeuwen – maar de buurt er omheen rijkelijk veel lelijker.

Casa de Corbos interessant. Stadje reeds rijkelijk zuidelijk – mannen met de stijve grijze hoeden. Aardige Parador – minder dan in Oropesa.  De kamers eenvoudig – haast kloosterlijk zoals in alle Paradors  – bed smal en goed – een blaffend hondje ‘s nachts en het geklepper van ooievaars – door ‘t open raam valt maanlicht. Goddelijke rust – men wordt zeer uitgeslapen wakker – in de verte kraaiende hanen en weer het geklep van ooievaars.

Vrijdag 30 maart. Merida. Een niet oninteressant museum – enkele goede romeinse stukken – westgotische ornamenten – mooi zonnig weer. Van het conventual zijn maar cycloopachtige muren (westgotisch!) over. In ‘t midden een in de grond begraven stenen gemetseld blok. Leidt naar een gang met westgotische resten en een andere dalende gang naar een cysterne. De lucht vol roofvogels – een ooievaar draagt langzaam vliegend een spartelende pad naar zijn nest. Kikkergekwaak in de moerassige oevers – van een wal gezicht op de Romeinse brug.

Het landschap verandert op weg naar Badajoz – cacteeën, agaven, witgekalkte huizen met rode daken, wijn, meer bomen en bebouwde heuvels, soms Hollandse luchten. Aardige gele moerasbloemen in het gras langs de weg. Zon – dreigende hemel in het Westen. Badajoz: Grensvesting – veel modder op de weg, er langs gereden zonder oponthoud. Spaans-Portugese grens – Wegen ten dele nog slecht. Geheel andere natuur – alles sappiger – alles bewerkt. Eucalyptuslanen. Veel kurkeik. Vila Viçioso – nat – vaag vervallen. Even een ogenblik stilgehouden. Alles witgekalkt – zelfs hele steden: in ‘t begin meende ik een rotsachtige bergtop te zien, maar het was een stad: de grensvesting Elvas. Lijkt blauw vanuit de verte.

Met regen in Evora aangekomen – middeleeuws witgekalkt stadje – zeer nauwe straten – matig hotel, matig eten, matige wijn, Riba vindt alles delicieus. Daarna wandeling door ‘t stadje met een functionaris van ‘t vreemdelingenbureau. Portugezen wel veel beleefder dan Spanjaarden. De beenderkapel: Nos osses que aqui estamos Pelos vossos esperamos [Wij beenderen hier, wachten op die van u]. Kathedraal die met haar geribde zuilen ietwat aan Siena doet denken. Kloostergang.

Convento da Graça — Diana tempel.  Alles zeer persoonlijk – eigen stijlvormen – maar niets wereldschokkends. Verder naar het westen gereden – het landschap lijkt vaak op de zandgronden in het oostelijk deel van Holland – ook de luchten. Men heeft het merkwaardige, maar zeer duidelijke gevoel op weg naar zee te zijn – vermoedelijk door de zware laaghangende natte nimbi in het westen. De atmosfeer veel vochtiger – wisselend buiïg weer.

De boeren dragen lange bruine mouwloze mantels met dubbele pelerins – kraag – zeer vermakelijk – vaak bovenop een kraag een vossebont. Grappig statig en verlopen tegelijk. Eenzame smalle weg – heel veel bochten – zonnige namiddag. Tegen kwart over zeven beneden aan de oever van de Taag aangekomen – prachtig gezicht op Lissabon bij vallende nacht – op de pont genoten. De verslonsde oorlogsvloot ligt voor de stad en op de pont informeren geheime agenten naar de onbekende reizigers – ridicuul landje. Rothotel. Rotte buurt. In de hele stad voortdurend klimmen en dalen. Alle huizen bont beschilderd – grappig kleinsteeds effect. Mooie maannacht.

Zaterdag 31 maart. Ellendige dag. Zeer verslappende buikloop opgedaan. Gezant vindt luizen in bed – spanning. Toch maar in stortregen op stap gegaan. Het koetsenmuseum gezien. Merkwaardige 16e eeuwse vehikels – zeer de moeite waard – nog nooit zoiets compleets gezien. Daarna de prachtige rijke abdij van S. Jeronimo. Werkelijk indrukwekkend gebouw – ongelofelijk rijk in decoratie maar niet overladen. Bijzonder mooie licht – en ruimte verhoudingen in de kerk. Kloostergang. Toren van Belem op afstand – terug naar stad. Een uur gaan slapen om wat op krachten te komen.

Déjeuner met Riba en zes verdere leden van het gezin. Om drie uur vertrokken langs ellendige weg naar Sintra. Buiïg – merkwaardig slot met kalkovenachtige torens. Naar weg naar Oporto gezocht en in Mafra uitgekomen. Verder gereden naar Caldas da Reinha en daar in een matig hotel overnacht – beneden bij het grote plein en het standbeeld van de koningin. De hele dag zeer veel last van darmen gehad. Moe en verslapt. Achter Mafra een lekke band.

Zondag 1 April. In het stadje in enkele fayence winkels rondgekeken (een rode vis voor Marguerite gekocht) en door gereden naar Alcabaça. Daar het merkwaardige klooster bezichtigd en de grote keuken waar een deel van het beekje doorheenstroomt. Nu oude mannenhuis – er wordt stokvis gekookt – de lucht ervan doordringt alles en over alles hangt de weeë zure lucht van armoede.

Verder gereden naar Batalha met zijn capelas imperfeitas en de graven van de Aviz – dynastie. Verder naar Coimbra alwaar geluncht. De kathedraal bekeken en de universiteitsbibliotheek. Merkwaardig vervallen pompeus geheel. In de late middag en vlug vallende avond op slechte wegen verder gereden naar Vilar Formosa (vermoedelijk over Celorico de Beira-Guarda – en Pinhal) een der remblokken werkt slecht – bij elk remmen wijk ik naar links af – dicht bij de afgrond. In het donker in Vilar Formosa aangekomen. De grens blijkt dicht. Bedenkelijke stemming – in een klein locaal hotelletje toch nog buiten verwachting redelijk geslapen.

Maandag 2 april. Ook ‘s ochtends nog moeilijkheden met grensoverschrijding – de ambtenaar is niet tijdig genoeg ter plaatse. Via Ciudad Rodrigo en Salamanca terug naar Madrid. Voor aankomst in het Spaanse grensdorp een uiterst slechte weg en een bruggetje waar een auto met Engelse toeristen ons tegenkomt. Ik herinner me twee zeer aantrekkelijke vrouwengezichten – maar zij reizen de andere kant uit, waar wij vandaan komen. Voor Ciudad Rodrigo nog twee lekke banden op een weg die meer op een karrespoor lijkt. ‘s Avonds thuis in Madrid. Totale kosten Pes. 235

Hij schrijft een brief aan Marguerite en vat alles nog eens samen, nu nog kernachtiger:

Portugal nog primitiever dan Spanje en overdadig smerig. Mensen allerbeleefdst – op het chinees-onzinnige af. De hele boel rijkelijk operette-achtig. Riba in zijn milieu voortdurend beledigd. Een douanebeambte komt drie uren te laat op zijn werk en doet ons een uur verliezen – en Riba zegt nóg: muit’ obrigado. De zaak is touchant – op een afstand gezien – maar niet middenin. Een in de grond valse overbeleefdheid, “de volmaakt georganiseerde staat op basis van de beleefdheid”.  

Hotels allerprimitiefst. Voedsel onbetrouwbaar. Wegen voor 50% allerellendigst. Het nieuwe echter uitmuntend. Geheel persoonlijke beschaving – eigen stijl – maar sedert 17e eeuw alles morsdood. Bevolking: vriendelijk, arm, dronken en stinkend. Lissabon: prachtig panorama, maar ellendige stad. In beginsel veel gelijkenis met Holland, maar geheel andere dosering. Alles volkomen slap – de mensen willen graag – maar kunnen niet. En beledigd indien men gebreken constateert. Men wenst dat de ander zich verontschuldigt iets gezien te hebben dat niet deugt. Volk is werkzaam; althans “druk bezig” maar misschien doen ze ook niets. Alles stinkt er tot zelfs in de keuken toe en het is nog niet eens zomer. Kortom: touchant – amusant en exaspérant.

 

Print Friendly

 

Tijdens het weekend na terugkomst uit Portugal, op Zaterdag 8 april,  rijdt hij naar Hendaye om zijn vrouw Marguerite van de trein te halen. Zij was sinds 19 februari in Zwitserland geweest voor medisch onderzoek. Op Zondag rijden ze terug en bezoeken onderweg Salvatierra en Lerma. Hij bespreekt met haar een plan om tien dagen rustig een tocht naar het Zuiden te maken.

Maar eerst moest er gewerkt worden. Op 17 april komt er een delegatie uit Nederland aan voor het afsluiten van een handelsverdrag. De onderhandelingen verlopen moeizaam. De Commissie vertrekt pas op Pinkstermaandag 21 mei. Het verdrag moet dan nog in werking gesteld worden.

De sfeer wordt verbeeld in de beginpagina’s van Het gezicht van Peñafiel: “De besprekingen waren vastgeloopen. Men was tot het punt gekomen, waarop een ieder zijn eigen argumenten slechts herhaalt, wetend niets nieuws te zeggen en nog minder den ander te kunnen overtuigen. Men zweeg dan een wijle, hopend dat iemand de verlossende formule zou vinden, herhaalde nog eens een reeds afgewezen voortsel, en zweeg opnieuw; want niemand had den wensch af te breken. Ferrer zat aan het eind der tafel en teekende cirkels en veelhoeken op zijn papier…”. 

Terborgh maakt na hun vertrek weekendtochten naar Toledo en naar Cuenca, terug over Guadelajara.

Op 9 Juni is het zover, hij gaat met Marguerite op weg naar het Zuiden. Het plan is om ook een bezoek aan Slauerhoff in Tanger te brengen. Dat bezoek staat beschreven in ‘Slauerhoff, herinneringen en brieven’ van Terborgh (1949, A.A.M. Stols) en in Slauerhoff’s biografie van Wim Hazeu (De Arbeiderspers, 1995) maar ook Terborgh’s dagboekaantekeningen zijn zeer de moeite waard.

Zaterdag 9 Juni. Om vier uur vertrokken – langs Aranjuez door de Mancha – heerlijk koel, geen bomen, maar met akkers en veldvruchten bedekt land. Op ongeveer 240 klm. een bergketen met mooi ravijn – heuvels met witte hoeven: eindlandschap voor ‘t Gezicht van Peñafiel. Parador in Bailén – het midden houdend tussen klooster en dompige boerenbarak – heet. Geïsoleerd op de vlakte.

Zondag 10 Juni. Verder naar Granada – zuidelijker land – mooi vooral de witte hoeven met muren omgeven – denk aan Bimini – Alhambra gezien – valt mee en tegen – prachtig park. Verder naar Motril – daar aan zee gekomen. Langs prachtige oude stadjes en torens naar Malaga en Algeciras – de plaats prachtig verlicht – Feria  – Hotel prettig laag gebouwd – vrijwel leeg met ten dele matige bediening.

Maandag 11 Juni. Marguerite blijft in Algeciras. Prachtige tuin – wijd zicht op zee. Tijd verdaan – ‘s middags naar Gibraltar. Hoe Engelsen hun voorsteden zelfs naar de zuidelijkste uithoeken weten te verplaatsen. Vanuit een Bastioen prachtig uitzicht op Afrika.

Dinsdag 12 Juni . Hotel vol liefhebbers voor de Corrida – uitmuntend spektakel, de corrida  in de  kleine Arena. ‘s Ochtends geprobeerd wat te schrijven. Engelsen van Gibraltar – Spanjaarden tot van Cadiz – boeren op paarden in drukke Feria. Levantijnse havengezichten. en levantijnse stemming.

Woensdag 13 Juni. Naar Tanger vertrokken. Prachtig Afrikaans gebergte – baai wijder dan men denkt – aan Spaanse kust Tarifa enig aardig punt. Na drie uur baai van Tanger. Ervoor grijze vesting: twee ronde torens met rood kegelvormig dak – hoge grijze muur ertussen: oud Portugees fort. Gezicht op Tanger valt tegen. Lelijke rommelige nieuwe huizen met zes tot acht verdiepingen in Spaanse trant over heuvels verspreid: Madrid van buiten gezien. Lege reede. Het meren duurt haast een half uur. Slauerhoff is er al lang – heeft de boot van Gibraltar al zien komen. Verbrand, toeschietelijker, grijzer – verder onveranderd. Zijn woning op prachtig punt.

Levantijns: wat kleden, wat restaurant meubels en primitieve vurenhouten werktafels en wandborden – wat rommel; veel vliegen. In zijn eigen kamer: een bed, een stoel, een luie stoel met rond tafeltje, een kast en een werktafel en twee marokkaanse kleedjes op de grond. Huis vrij goor – Arabische bezitter – prachtig gezicht over rommelig terrein op zee. Naar Marokkaans café gegaan – op dakterras gezeten, uitziende over de straat en baai – herinnert me aan Creta. Bij hem gegeten – ‘s Nachts door allerlei kroegen, café’s en bars geslingerd. Veel lokale kleur.

Donderdag 14 Juni. ‘s Ochtends op het Moorse kerkhof gewandeld – wilde verlopen buurt. Bij een antiquair mooi Tibetaans kleedje gekocht (pes. 500.-), voor Slau een Chinese plaat (pes. 100,-). veel foto’s genomen. Gebladerd in  turf van Helman. Er komt een gelukwenstelegram. Slau heeft de van der Hoogt prijs gekregen. Is er eigenlijk heel blij mee al moet er een discussie worden gevoerd over de vraag of hij hem wel zal aannemen.We maken ‘s middags een tochtje naar Caap Spartel. Gaan ‘s avonds vroeg naar bed. Muggen en vliegen.

Vrijdag 15 juni. Voorbereid voor reis naar Algeciras. Autobus vertrekt pas later – aan de kade ergens in een Frans havenwerkersrestaurant uitmuntend gegeten. Met de autobus over Tetuan naar Ceuta – landschap valt tegen. Volle autobus. Slau kijkt haast niet uit. Ziet toch de vogel in de lucht. In Ceuta een paar uur rondgeslingerd. Daarna met boot naar Algeciras – laat aangekomen.

Zaterdag 16 Juni. ‘s Ochtends een tochtje naar Tarifa. ‘s Middags in de tuin gezeten. Gewerkt. “Des Dichter’s Venster” – daarna de stad in; over de Feria gezworven ‘s avonds. Slau kan ‘s nachts niet slapen. Staat om 2 uur weer op, kleedt zich aan en gaat weer naar de Feria.

Zondag 17 Juni. Goddelijk bad in zee. Slau heeft een mager gebogen lichaam. Ingevallen borst – brede holle schouders. Prachtige ochtend. Veel photographieën genomen. ‘s Middags een zeer slechte corrida – daarna weer over de Feria – door het dorp gezworven. Cafard.

Maandag 18 Juni. 2uur, Slau vertrokken. Gesprekken over Calvinistische rem en andere dingen. Zijn jeugd. Trieste dag. ‘s Avonds spreekt in een hoek de Engelse met haar Spaanse vriend die niet wil scheiden om met haar te trouwen.

Dinsdag 19 juni. Terugreis begonnen. Over Sevilla naar Merida – geweldige hitte.Woensdag 20 Juni. Van Merida in grote hitte naar huis.”

Op 23 juni vertrekt hij met de trein naar Parijs en vandaar door naar Dresden, voor een familiebezoek. Op 5 juli is hij weer terug en vertrekt meteen naar het zomerverblijf in Saint-Jean de Luz, de regering is naar San Sebastian verhuisd.

Print Friendly

Ook in de zomer van 1934 verbleef Terborgh in Saint-Jean de Luz om in de buurt van San Sebastian te zijn, waar de Spaanse regering jaarlijks zomerverblijf hield. In Augustus maakten hij en Marguerite een tocht naar het Château d’Arcet, daar niet ver vandaan, waar een bekende woonde. Een week later ging zij alvast op vacantie naar Worb, Zwitserland, naar het huis van haar familie dat een zelfde sfeer uitstraalt.

Over het Chateau d’Arcet schreef het volgende in zijn dagboek.

Château d’ Arcet  19 en 20 Augustus 1934

Langs de prachtige weg van Bayonne naar Mont de Marsan, tot Dax. Plateau te weerszijden – ‘s nachts een door de autolampen hel verlichte eindeloze tunnel. Dax: rommelig provincienest – vandaar over Montfort  –  Mugron naar Montaut. Het landschap typisch Frans: zachte heuvels, veel gemengd bos, tussen dichte loofbomen hier en daar op een hoogte een slot – meestal in de lelijkste imitatiestijl, maar onweerstaanbaar sympathiek.

De smallere weg tussen de gemeenten gaat over de kam van een lange heuvel. Bossen, velden, wijngaarden, maisvelden. Vlak na Montaut het Chateau d’ Arcet. Grijs, onevenwichtig in verschillende perioden samengesteld in de klassieke, lelijke Renaissance imitatiestijl. Prachtige bomen: linden en populieren. Klokslag twaalf uur er binnen gereden.

Prachtig uitzicht, naar ‘t Zuiden over heuvels tot aan de Pyreneeën, (bij mooi weer steeds in damp gehuld) naar ‘t Noorden over vlakten, in de verte Les Landes. De logeerkamer: overtuigende, gemoedelijke provinciestijl. Dit sympathieke mengsel van primitiviteit en welstand en de smakeloosheid van 100 – 50 jaar geleden die langzamerhand historische kleur en charme begint te krijgen.

Een typische Franse eetkamer (die alle op Normandie geïnspireerd schijnen te zijn) en een heerlijke provincielucht erin van eenvoudig, maar zwaar en met zorg bereid eten. Het domein van een genoegelijke oude 84-jarige – krom, mager en doof met een nog uitgesproken plezier in het leven. Zij doet me voortdurend aan mijn moeder denken – misschien is zij ook zo over 15 jaar.

Na het eten met pistolen en karabijnen geschoten – daarna een half uur uitgereden op een dansende halfbloed met hoge, harde draf – dat slechts wilde galopperen. Daarna de winterresidentie in Saint-Sever bekeken. Charmante provincie die Balzac en Flaubert evoceert. Gemoedelijk mengelmoes en verrukkelijke stilte.

Buiten arcaden die aan Bern doen denken. Junkerngasse. Een romaanse kerk met interessante kapitelen. Herinneringen aan Engelse dominatie. Daarna baden in de Adour, ergens achter een boerderij, die vroeger een Engels kasteeltje is geweest. Drie soorten mint en andere heerlijke kruiden; bramen; zomerlucht en zilverachtige mist in de verte – een ondiepe rivier met een heerlijke lucht van rottende algen en schimmel: een oude fles wijn, die men nog niet heeft opengemaakt. Vroegere rivierzwempartijen heel ver terug: de laatste 12 jaar geleden?

Aan tafel een verrukkelijke eend en heerlijke Bordeauxwijn. Daarna genoegelijk praten in een boudoir – herinneringen aan Bern – oude grammophoonplaten. Maanlicht buiten – heerlijke vochtige nachtlucht – spookverhalen en korte vertrouwelijkheden over literaire exploiten.

‘s Nachts een nachtvogel, die ik nog niet ken, en indrukwekkende variaties in hondehuilen. Een veel te kort bed en slechte nacht – maar heerlijke chinese tea als compensatie. Een autotocht naar St. Sever (7 km) en verder naar een Romeinse uitkijkpost – allerinteressantste, nog niet geziene gebruikmaking van het terrein. Een heuvel afgeknot en boven van een wal voorzien – beneden eromheen een diepe greppel – vermoedelijk een houten wachttoren in het midden. Nu bomen en een Mariakapel.

St.Sever was standplaats van Romeinse autoriteiten. Na het middageten een lang gesprek over karakter van man en vrouw en daarna nog eens te paard uitgereden. Veel moeilijker dan gisteren. Teveel gedronken en het dier niet vermoeid, nauwelijks voor een zondagsruiter te houden. Koffer gepakt en kwart over zes naar huis gereden- niet gaarne. Over Mugron -Pontonx – St. Paul.”

Geïnspireerd door het kasteel schreef hij in de weken die volgden in Saint-Jean de Luz voor Marguerite zijn impressies over haar ouderlijk huis te Worb, die in 1940 te Peking gebundeld zouden worden in zijn boekje “Le petit château”, thans een antiquarisch juweel.

Vervolgens reed hij via Carcassonne en Avignon naar Worb. Op de gezamenlijke terugreis per auto naar Spanje bezocht het echtpaar de Biennale te Venetië, en reden vervolgens via Bologna, Florence, Pisa en een paar stops in de Provence terug naar Saint-Jean de Luz, waar ze op 19 oktober aankwamen.

(wordt vervolgd)

Print Friendly

Op 20 october was de Regering en dus ook het Corps Diplomatique waaronder Terborgh weer terug in Madrid. Twee dagen later noteerde hij zijn indrukken van de terugreis uit Saint-Jean de Luz, in zijn Renault Cabriolet zes-cylinder PrimaStelle.

“Kastiliaans landschap

De torens van de kathedraal van Burgos verrezen een ogenblik in heldere hemel; een silhouet herinnerend aan Chartres. Dan staan er gebouwen langs de weg, rommelige voorsteden volgen en daarachter, naar het Zuiden toe, begint het werkelijke Kastilië.

De weg, acht meter breed, is door oude olmen gezoomd, ingevoerd uit Engeland door Philips II en sedertdien gewillig zich in het land verbreidend. Soms zijn zij smal als populieren, soms gesnoeid, breder zich vertakkend met dikke stam; het lover begint nu geel te worden, zonlicht speelt erop.

De weg slingert, zacht stijgend en dalend, over heuvels, langs heuvels, mijlenver te overzien, slechts zelden aan het oog ontrukt. Het is dezelfde waarover in de 16e eeuw  logge reiskoetsen kropen en muilezelkaravanen. Drie weken reisde men toen van de grens naar Madrid; nu negen uur.

De grondkleuren van het landschap zijn die van puimsteen en vers geschilde kurkeiken: dof grijs en roestbruin. Vaak vermengen zich de beide kleuren in talloze schakeringen tot de vaal-bruine kleur van klei; de kleur van de akkers langs de weg, van braakliggende streken, van de armelijke dorpen, hier en daar, uren gaans van elkaar verwijderd.

De lagere heuvels zijn veelal begroeid, dor gras, distels en struiken, stroken kaal zand ertussen, sterk lijkend op ons duinlandschap. een enkele steeneik; in een dal  wat wilgen en populieren. Maar soms gaan deze doffe kleuren, aan die van olijfbomen herinnerend, over in witte, haast onmerkbaar groen lichtende vlakken zand; metaalkleurig, de tinten van Velazquez. Verder naar het Zuiden worden de heuvels vaak rood, wijnrood, donker en lichter, onwerkelijke, dreigende kleuren.

Het landschap is leeg; eentonig. Maar een bijzondere omstandigheid verleent het voortdurend een boeiende, vaak beklemmende grootsheid: nooit ziet men de werkelijke einder.

Dicht langs de weg verrijzend of verder weg in eindeloze ketenen zich voortplantend, zo ver het oog maar reikt, zijn deze heuvels juist zo hoog dat men nooit over hen heen kan zien, nooit weet wat er achter ligt. Men is door een golvende muur omgeven, hemel en wolken erboven, maar wat erachter? Alles wat een ongebreidelde fantasie bedenkt, wat een eenzaam verlangen kan wensen.

De auto jaagt voort van keten tot keten, van dal tot dal. Verwacht men in elk dal zijn bestemming? Links in de verte staan grijze tafelbergen, plat en aan de kanten uitgewassen, op glad afgezaagde boomstronken gelijkend. Langs de weg trekken boeren op muilezels, op ezels of paarden, de vrouw dwars achter zich; een hond ernaast.

Eksters vliegen over de weg, kudden schapen trekken er soms over, angstige, schreeuwende herders. Soms staat een enkele boom op een heuvel, midden in de hemel, tegen de wegzinkende zon; maakt de verlatenheid nog groter. Soms zijn het scheve telegraafpalen, soms een langzaam rijdende boer, terugkerend naar een onzichtbaar dorp.

Op afstanden van uren gaans van elkaar verwijderd liggen deze dorpen, nauwelijks zichtbaar in glooiingen, in zich gekeerd, naar buiten haast blinde muren slechts tonend, bevreesd voor wolven in de winter? Voor koude? Voor trekkende zigeunertroepen?

Nergens een eenzame hoeve, in de schaduw van bomen, lokkend tot oponthoud. Niets dan in regelmatige tussenpozen witte huizen met rode daken langs de weg, met grote zwarte letters de afstanden op de muur geschilderd: naar Madrid, naar Burgos, naar Irun; wegwerkerswoningen.

Tegen zonsondergang naderen we hoge heuvels. Heuvels lijken het, in het onmetelijke landschap, maar het zijn bergen, een brede keten van oost naar west met 1800 meter hoge toppen. In een dun woud van kreupeleiken, het landschap vóór ons overziend, stoppen wij een wijle. De zon zinkt achter ons, zij schijnt reeds tussen de bomen. Op de weg in de verte achter ons zoemt een naderende auto. Drie kilometer ver of meer? Het duurt minuten eer hij razend voorbij suist, en de stilte weer groeit tot onmetelijkheid.

Men zou van hieruit alleen willen verder trekken, op een muildier langzaam naderend de harde blauwe wand, door de wijnrode vlakte beneden, op weg naar wie weet welk avontuur uit de indianenboeken uit onze jongensjaren.

Wij hebben dit landschap vroeger gedroomd, de donkere plooien in de berg, de bleke ster in de groenachtige hemel. De stijgende dampen en de kou en geen enkel licht. De opgedroogde rivierloop beneden en de onzekerheid van wat achter de groeiende blauwe muur voor ons ligt. En men zal waarschijnlijk ook naar Amerika moeten trekken om een landschap te vinden even groot en geweldig als deze vlakte voor de Guadarrama keten.”

(wordt vervolgd)

Print Friendly

Het ging in Tanger steeds minder goed met Slauerhoff’s moreel en gezondheid, na Terborgh’s bezoek in juni 1934. Op 20 oktober legde hij zijn dokterspraktijk stil  en ging op weg naar Nederland. Na wat per trein door het zuiden van Spanje langs Sevilla en Cordoba te hebben gereisd, arriveerde hij op zaterdag 27 oktober bij Terborgh in Madrid.

Hij bleef elf dagen logeren en toonde zich een niet al te makkelijke gast, alhoewel Terborgh hem overal enthousiast mee naar toe sleepte. Al de dag na aankomst ging men samen met de gezant Nepveu over slechte wegen naar Segovia en Sepulveda (door Slau steeds pesterig Soepelveda genoemd).

Slauerhoff sliep een groot deel van de tocht, waarbij men twee keer een lekke band had, “maar verklaarde later het landschap toch graag nog eens weer te willen zien.” Op maandag gingen de twee, samen met Terborgh’s twee beste diplomaten vrienden (Bull, Denemarken en Riba, Portugal) naar het circus. Dinsdag gaf de gezant een diner voor Slauerhoff, die echter niet op kwam dagen. Terborgh schrijft in zijn dagboek:

“Gedurende al deze dagen met hem vaak in de stad geweest. In café’s gezeten. Eens Frans Hellens ontmoet. Nog eens naar de bioscoop, ook een mislukte tocht naar het theater: Don Tenorio. Don Tenorio bleek ook in een ander theater gespeeld te worden en daar zat Slau. Een prachtige middag in het Pardo, we hebben over zijn kritische werkzaamheden gesproken. Een middag blijft hij thuis – heeft de hele dag aan twee gedichten gewurmd die niet willen lukken. Over allerlei literaire dingen en plannen gesproken.”

Soms  was er ruzie, want Slau was niet te genieten. Op 7 november vertrok Slauerhoff naar Parijs, waar hij op 11 november aankwam. Hij nam zijn intrek in een hotelletje maar bracht zijn vuile was bij zijn vriend de schrijver Eddy Du Perron die met zijn vrouw Bep aan de rue Erlanger in de voorstad Auteuil woonde.

De Du Perrons verkeerden in moeilijke omstandigheden en woonden in bij een Russische ex- senator Nossovitch, zijn vrouw en zijn mooie dochter Sofka. Slauerhoff reisde door naar Nederland, maar was op 20 januari 1935 alweer terug in Parijs, zoekend naar een vrouw en werk aan de wal want hij wilde stoppen als scheepsarts. Hij zag toen ook Du Perron’s Parijse vriend Pascal Pia, de latere vriend van Albert Camus. Pia zou Slauerhoff jaren later goed typeren: “een nogal… hoe moet ik het zeggen… nogal stuurloos persoon… die er niet goed toe kon komen geloof ik, om zich in te passen in de Hollandse samenleving, noch in een andere, en die altijd overhoop lag met de wereld waarin hij moest leven.”

Slauerhoff stelde Du Perron voor dat die naar Tanger moest gaan om zijn practijk te liquideren, maar Du Perron voelde zich niet goed en moest hard werken om in zijn onderhoud te voorzien. Hij nam Slauerhoff mee naar zijn stamcafé Le Mûrat in Auteuil waar hij haast elke ochtend een kop koffie dronk met Giacomo (“Gino”) Antonini, een Italiaans-Nederlandse literatuurcriticus en schrijver, die met zijn latere vrouw, de Russische Maria (“Moussia”) Sila-Nowicki vlakbij woonde in de rue Corot.

De aardige Antonini luisterde naar hun verhaal en bood aan om de klus in Tanger te gaan klaren. Slauerhoff stelde voor dat Antonini op doorreis bij Terborgh in Madrid zou aanleggen. Slauerhoff en de Antonini’s konden zo goed met elkaar overweg dat hij een tijdje bij hen mocht komen wonen in de rue Corot als hij wilde bijdragen in de kosten van het eten, want ook zij waren op dat moment in moeilijke omstandigheden. Slau toonde zich een prettige gast en zat geduldig en langdurig aan het bed van Natasha Borovsky, het tienjarige dochterje van Moussia, toen ze een kinderziekte had.

Op 11 maart arriveerde bij Terborgh een brief van Slau om Antonini aan te kondigen. Reeds de volgende dag kwam Gino in Madrid aan. Dit toevallige bezoek was het begin van een levenslange boezemvriendschap tussen de twee mannen, die ik enigszins heb kunnen volgen in de dagboeken van Terborgh.

Door allerlei gelukkige bijkomende  omstandigheden zoals mijn vriendschap met Natasha Borovsky en haar man Stuart Dodds heb ik me ook kunnen verdiepen in de passionerende levens van Gino Antonini en diens Russisch vrouw Moussia, die voortdurend dat van Terborgh zouden raken. Hun levens beschrijf ik parallel met deze geschiedenis van Terborgh, maar dan in mijn Franse en Engelse blogs, omdat het in die talen is, vooral in de Franse, dat ik veel persoonlijk bronnenmateriaal tot mijn beschikking heb.

Antonini bleef twee dagen en de mannen praatten tot diep in de nacht. Op 20 maart was hij al weer terug in Madrid en bleef toen negen dagen logeren. Terborgh nam hem mee naar  het Escorial waar in de buurt goed te wandelen viel, naar Toledo (zie foto, met Antonini) waar hij al vaak alleen of met zijn vrouw geweest was. Ze aten daar bij zijn vaste restaurant Vento de Aires zijn lievelingsmenu, gevulde patrijs, perdices estofadas.

Op 29 maart bracht hij Antonini naar Hendaye en zette hem op de trein naar Parijs. Op weg er naar toe zagen ze in de trein een mooie jonge vrouw, fantaseerden van alles om haar heen en besloten om ieder over haar een verhaal te schrijven. Dat is inderdaad gebeurd: Maria Concepción door Terborgh en Pilar door Antonini. Nadat Antonini vertrokken was, haalde Terborgh in Irún een nieuwe auto af, een zes-cylinder Renault Vivasport. Hij maakte er meteen op weg naar huis een ommetje mee, en was weer thuis in Madrid op 1 april.

“Soria, 30.-31.III.1935 Auto gehaald in Irun – mooie langzame tocht naar Soria – daar  zeer slecht gegeten.

Estella heeft merkwaardige gotische kerken en kleinere plaatsjes als Viana en Torres moeten wel een oponthoud waard zijn. Logroño ligt schilderachtig aan de Ebro. Maar nergens gebleven. Van Estella noordwaarts niets wat aantrekkelijk lijkt. Van Logroño naar Soria door een prachtig dal. Kalkformatie – zeer romantisch – over de pas 1700 m. in het donker naar beneden.

Onverwacht, achter een hoek, ligt de stad. De rossig zanderige kleur van een leeuwenvel heeft alles. Lage huizen met mooie stenen wapens boven de deuren. Arabische verandah’s. Wrange wijn – maiskoekjes en kweeperengelei. De uitlopers van de stad gaan tot aan de Duero – kleine huizen met rode daken tegen een heuvel – uit alle schoorstenen blauwe rook optrekkend als uit een  kolenmeiler. San Juan del Duero – prachtige zonnige ochtend met wilde viooltjes in de bouwvallige kloostergang. San Pedro – mooie Romaanse resten.”

Print Friendly

Coca, 1935

Op vrije middagen maakt Terborgh autotochten in de buurt van Madrid, zoals naar het toen nog heel kleine Barajas vliegveld, Alcalá de Henares en Guisando. Vaak ook dagtochten, verder weg, telkens keert hij terug naar Coca, Cuellar en Peñafiel, naar Toledo en naar  de Sierra Guadarrama, hij neemt als het lukt graag iemand mee. Hij maakt korte aantekeningen in zijn dagboek, al oefenend voor het literaire werk dat groeit in zijn hoofd.  Hij maakt met een klapcamera af en toe foto’s, zoals die welke te zien zijn in deze blog.

In de Sierra
De tocht door de berg – heuvelige vlakte met zuidwestelijke zon – naar het Noorden afgesloten door een steile, kilometer brede berg – erosie heeft grillige granietvormen geschapen soms lijkend op ruïnen van bouwwerken. Leemkleurig – soms bruin, roodbruin. Dunne giftig roze wolkenstrepen in oostelijke hemel – groeiende nacht eronder – in ‘t westen fel oranje wolkjes in diepblauwe hemel. Achter de berg? of midden in de keten? een posada met wijnstruiken over latten ervoor – smerige boeren – het schilderij van Sluijters in Venetië

Manzanares el Real – de paarse berg
Nog wildere berg – men trekt naar boven tussen rotsblokken – paden leiden erover – verdwijnen tussen stenen. Zon gaat onder – de berg wordt violet – dampen stijgen op – grijs violet – schaduwen steeds langer wordend van links naar rechts.Graniet – niets dan graniet – schapen en geitjes ertussen. Ruwe, plompe kerkjes uit graniet – zeer aandoenlijk. Dunne sneeuw bovenop de berg – wat struiken.

Cuellar, 1935
 
Peñafiel, 1935

Op 11 mei gaat Terborgh met verlof, in zijn nieuwe Renault VivaSport. Hij overnacht in Vittoria, maakt een stop in Saint-Jean de Luz bij zijn vriend Simpson en brengt de volgende nacht door in Poitiers. Na “uitmuntend gegeten” te hebben in Vendôme komt hij op 13 mei aan in Parijs en “stapt af” in het Hotel le Royal.

Hij gaat de dag erna meteen op bezoek bij Gino Antonini en ontmoet daar diens partner Moussia Sila-Nowicki (zie Engelse en Franse afdelingen van deze blog). ’s Avonds gaan ze eten in het Russische restaurant Moscou, “uitmuntend”. De dag erna gaan ze naar het Théatre des Mathurins, “La Créature” van Ferdinand Bruckner, in 1933 het Duitsland van Hitler ontvlucht, onder de beroemde Russische acteur/regisseur Georges Pitoëff.

De dag erna bezoekt hij uitgebreid het Louvre en ‘hangt ’s avonds alleen in café’s rond.’ Op 17 mei gaat hij met Gino en Moussia naar Fontainebleau, waar de elfjarige dochter van Moussia, Natasha Borovsky, op kostschool is. Op 18 mei gaat hij samen met Gino op weg in de auto. Bourges, Nevers, Avallon, Autun, in de avond van 19 mei arriveren ze in Beaune, alwaar  hij ’s avonds samen met Gino “zwaar pokuliert. Aardig, haast Belgisch stadje”.

De dag erna gaan ze naar Dijon, waar Antonini op de trein terug naar Parijs stapt. Die avond nog arriveert hij in het schoonouderlijk huis te Worb in Zwitserland,  dat hij beschreef in zijn ‘Le petit Château’. Daar wacht zijn vrouw op hem, zeven maanden in verwachting van hun eerste kind.

‘Van 21 mei tot 4 juni rustig in Worb. Twee weken alleen met Marguerite – uitstapjes – lui leven – tijdens dit verblijf vooral gelezen Le Grand Meaulnes van Alain Fournier.” Vervolgens gaat hij voor een week naar zijn moeder in München en naar Dresden om zaken voor haar af te handelen. Vandaar rijdt hij in een ruk terug naar Worb. Daar maakt hij onmiddellijk een plan voor de terugreis en hij vertrekt al op 12 juni.

“ ‘s Avonds met prachtig weer op weg gegaan naar Genève – mooie zonsondergang – heerlijke stemming – de nacht langs Lac Léman – achter Lausanne – de kikkers – de straat – de lichten.” De dagen erna gaat hij het gelezen landschap van de jeugd van Fournier, le Grand Meaulnes, ter plaatse op zich in laten werken, ongetwijfeld met de ideeën voor zijn eerste novelle in het achterhoofd :

“Naar Frankrijk – ‘s middags in Bourg en Bresse gegeten – de prachtige kathedraal of beter kerk te Bron. Verder via Moulins, allermerkwaardigste sombere stad – middeleeuws. Via Mâcon – merkwaardige Romaanse kerken tussen Mâcon en St. Amand. Aldaar overnacht, het landschap van Alain Fournier. Verder naar Meaulnes. Epineuil-le-Fleuriel bezocht – jeugd van Fournier. Charmant klein dorp – verder naar Clermont Ferrand – somber – smerig – Gegeten in Mont-Dore -Auvergne valt tegen, althans het doorgelopen stuk – verder naar Mauriac – Aurillac en Figeac – vandaar door het dal van de Lot naar Cahors – prachtig avondlandschap – Cajarc. Plannen voor Peñafiel. Sterke indruk. In Cahors overnacht.”

Op 15 Juni is hij weer in Saint-Jean de Luz en gaat meteen naar het hotelletje Guernika van zijn vriend Simpson. Op 16 Juni keert hij terug in Madrid, “hard gereden”.

(wordt vervolgd)

Print Friendly

 

Na zijn terugkeer in Madrid op 15 juni 1935 ging Terborgh een week later alweer op tocht, deze keer met de gezant Nepveu en zijn dochter. De tocht ging naar Guadalupe in de Extremadura, met het grote klooster ter ere van de Zwarte Madonna.

Cees Nooteboom heeft in 1992 een dergelijk bezoek treffend beschreven  in zijn boek De omweg naar Santiago, inclusief een opvallend bezoek  aan de Zwarte Madonna die met een druk op de knop 180 graden gedraaid kan worden tussen de kerk en de camarín, een klein kamertje waar de Madonna kan worden verkleed. Terborgh zal de Madonna ook hebben gezien, maar hij heeft het in zijn dagboek over een openlucht slager:

‘s Avonds met donker worden aangekomen. Ongelofelijk veel water gedronken uit koele roodbruine aarden kruiken. Veel volk ‘s avonds in de eetkamer – niet overdreven slecht eten. De volgende ochtend zal een jonge priester zijn eerste mis celebreren. Veel familieleden zijn er voor overgekomen. Wandeling in het donker door het dorp – zeer schilderachtig. Met Nepveu in een kamer geslapen – laat ingeslapen en kort en slecht gerust. Wankele ijzeren bedden. geel geschilderd, met bolle, oneffen matrassen; eerder op met schapewol gevulde zakken lijkend. Naar een onweer zitten kijken dat niet loskwam.

Tegen vijf uur weer wakker, de zon schijnt in de kamer en vliegen sarren zonder onderbreking. In pijama op het balcon gezeten, wat fruit gegeten en uren lang naar beneden gekeken waar op het plein zondagsmarkt werd gehouden. Er is een slagersstalletje. Twee schragen en wat planken erover – een geraamte van dunne balken waarover een zeildoek tegen regen en zon kan worden gespannen – het zeildoek ontbreekt. Het geheel heeft de klassieke vorm van de marktstalletjes bij ons.

Aan een opstaande balk hangen twee schapebouten, een dichte zwerm vliegen eromheen – meer vlees is er niet. De slager snijdt repen uit de bouten en verdeelt die weer in duimbrede blokken. Een kleine handvol wordt in courantenpapier gewikkeld en verkocht voor drie of vier kopermunten – de duurste portie kan niet meer dan zeven cent kosten. Soms is een koper niet tevreden. De waar wordt weer uitgepakt en op de weegschaal geworpen – een volgende koper is er tevreden mee. Uren lang worden er repen uit de twee bouten gesneden, steeds dezelfde hoeveelheid – de voorraad lijkt onuitputtelijk – de zwerm vliegen is niet weg te slaan. Beeld van grenzeloze verveling. Obsessie der eeuwige herhaling.”

Op 29 juni reed hij met de Gezant naar hun jaarlijkse zomerverblijf in Saint-Jean de Luz, waar hij weer zijn intrek nam bij Simpson in  de dépendance van diens hotel Guernica. Het eerstvolgende weekend al maakte hij met de Gezant opnieuw een rondreis door de Vallée du Lot, die eerder al zo’n indruk op hem had gemaakt. Op een dag laat in Juli, vierde hij met een collega en een fles cider dat zijn eerste kind in Worb in Zwitserland werd geboren. De rest van de zomer verliep zoals gewoonlijk.

Op 5 september vertrok hij per trein naar Parijs, op weg naar Zwitserland om zich bij zijn vrouw en zijn eerstgeboren zoon te voegen omdat het kind gedoopt werd. Hij vond in Parijs  zijn Antonini en diens vrouw Moussia niet thuis, die bleken in Riga te zijn om echtscheidingszaken te regelen, vervolgens ging hij een aantal dagen naar Nederland naar het Departement van Buitenlandse Zaken en voor familiebezoek. Op 12 september was hij in Worb en zag voor het eerst zijn zoon, die op de  14e werd gedoopt. Op  17 september ging hij  terug naar Spanje, met vrouw en kind.

Bij terugkomst in Madrid hoorden ze dat hun vriend de kunsthandelaar Arthur Byne, die een paar jaar daarvoor het Spaanse klooster van 1175 Santa María de Óvila steen voor steen had laten afbreken en naar de krantenmagnaat Randolph Hearst in de Verenigde Staten had laten verschepen om daar weer te laten opbouwen, was omgekomen bij een auto-ongeluk waarbij hij doorboord werd door een grote houtsplinter. Terborgh schreef in zijn dagboek op 1 october 1935:

Byne is in een auto-ongeluk om het leven gekomen – en nu zal wel zijn huis worden verkocht en zijn prachtige meubelcollectie weer worden verstrooid. Hij begon lang vóór de oorlog met zijn vrouw per motorfiets Spanje door te rijden, oude architectuur te bestuderen, meubels en tapijten op te kopen.

Heeft heel Mallorca leeggekocht en kunstschatten per karrevracht naar Amerika verkocht. In zijn huis op de Ramon de la Cruz, nog geen twee jaren geleden gereed gekomen, heeft hij de vermoedelijk veelzijdigste collectie van Spaans meubilair der XV tot XVIIIe eeuw bijeengebracht. Een museum eerder dan een woonhuis. En niets zal er van blijven.

Een met smaak en kundigheid geschapen verzameling weer verstrooid – geen wet die de uitvoer van kunstwerken controleert, geen museum dat belang stelt in de ongetwijfeld belangrijke verzamelaars prestatie. Byne had veel op crediet verkocht en na de krach in Amerika had hij veel vorderingen maar geen geld. Hij ging in ‘34 naar de Verenigde Staten om te trachten iets te innen – maar niemand kon of wilde betalen.

Men was vriendelijk en nodigde hem uit – hij zat op stoelen die hij had geleverd, at aan de tafel die hij had uitgezocht, keek op de gobelin die evenmin als het andere was betaald. Men gaf in dit décor grote feesten, gaf hem een gouden sigarettenkoker cadeau, maar weigerde wat ook te voldoen en Byne trok met lege handen naar een andere schuldenaar.

(wordt vervolgd)

Print Friendly