Door Albert Waterhondt

Tokyo, September 1956. Ik geniet van de zon, de mensen, de planten en de bomen in Kokyogaien, het park bij het Keizerlijk paleis. Ik wandel langs de paleisgracht die om het hele complex loopt. Ik zie prachtige karpers, mijn Franse reisboekje zegt dat het er ongeveer driehonderd in deze gracht rondzwemmen.

Ik zie op het gras een zwartharig meisje liggen. Ze ligt te zonnen. Tot mijn verbazing ligt dicht naast haar een  prachtige zwarte zwaan. Hij kijkt speurend in het rond. Alsof hij haar bewaakt. Het meisje  gaat zitten als ze me ziet aankomen. Ze ziet er Europees uit. Ik spreek haar aan in het Engels en zeg dat ik Albert Waterhond heet.

De zwaan vindt mij teveel en laat zich in het water glijden.

Het meisje  stelt zich ook voor. “Leda”, zegt ze, “je hoeft geen Engels te praten, ik ben Nederlandse.” Ze vraagt me wat ik hier doe. “Ik werk hier bij de Maison Franco-Japonnaise”, zeg ik en vraag waarom zij in Tokyo is.

“Ik heb de zwarte band met judo”, zegt ze. “Ik ben hier om de vierde dan te halen. In de beroemde Kodokan dojo. Ik heb van kind af aan Dick Bos boekjes gelezen en  toen stond mijn toekomst voor mij vast. Ik wil mijn eigen dojo beginnen. Alleen, ik heb plotseling een probleem. Ik voel me hondsmisselijk en ik ben al meer dan twee maanden over tijd. Ik ben op zoek naar een dokter die me kan verstaan. Spreek jij soms Japans?”

“Nee, maar ik wil wel met je meegaan. Ik zal morgen op het instituut vragen of ze een Japanse dokter kennen die Frans of zo spreekt. Heb je een vriend? Je bent natuurlijk in verwachting.”

“Wat denk je wel van mij ! Ik  laat me door geen man aanraken. Er  is iets vreemds  met mij aan de hand, ik ben altijd precies op tijd. Vind je die zwaan niet mooi? Prachtig, dat zwart. Ik vind hem net een ninja. Hij laat toe dat ik hem langs zijn zachte glanzende nek aai. Dat vindt hij lekker en ik  krijg er ook een lekker gevoel van. Soms word ik er zo ontspannen van dat ik ga liggen en naast hem in slaap val. Dan waakt hij over me. Als ik wakker word ligt hij er nog steeds.”

We spreken een tijd af voor de volgende dag, bij la Maison. Als ik wegloop kijk ik af en toe om en zie dat ze langzaam de andere kant oploopt. De zwarte zwaan glijdt achter haar aan.

De volgende dag komen we bij de dokter. K. Ogino staat er op de deur. Hij onderzoekt Leda.

“Gefeliciteerd, U bent in verwachting,”zegt hij. “U had eigenlijk al iets eerder moeten komen want u bent het al drie maanden. Maar wees gerust,  alles is in orde.”

Wanneer we buiten lopen is Leda buiten zich zelf.

“Hoe kan dat? Hoe moet dat met mij?” zegt ze tegen me. “Hoe kan ik een kind combineren met mijn dojo?  Dit is een regelrechte ramp!”

“Ik heb de hele nacht liggen denken,” zeg ik. “Als ik nu eens met jou terugga naar Nederland? Jij runt je sportschool en verdient het geld, en ik zorg voor het kind. Dan kan ik dag in dag uit Franse boeken lezen, mijn tweelingzus heeft een tweede-hands boekenzaak  en die zorgt wel voor de lectuur. Ik heb erg veel leesachterstand in te halen.”

“Wat een meesterlijk idee”, zegt Leda. “Waar woont die zus van je?”

“In Marseille.”

“Lekker rustig,”zegt Leda.

Drie maanden later, wanneer we bezig zijn onze koffers te pakken, zegt Leda:

“Ik sprak vanmorgen in een warenhuis een aardige Japanse mevrouw, die  even ver zwanger bleek te zijn als ik. Ze zei dat ze jaloers was op mijn buik. Die vond ze veel mooier dan de hare, zo  prachtig rond. “Net een ei”, zei ze. Ze zijn hier in de verloskunde erg ver. Ze weet nu al dat ze een zoon gaat krijgen. Hij gaat Tatsu heten, dat betekent draak in het Japans. Men denkt hier dat draken hele sterke watergeesten zijn. Dat vindt ze een mooi oer-idee.”

“Heb jij al eens aan een naam gedacht?” zeg ik.

“Natuurlijk niet,” zegt Leda. “Ik heb geen enkel aanknopingspunt voor wat er in mijn buik zit en waar het van af stamt.”

“Weet je wat?”, zeg ik,  “we noemen het schepsel het Ei X.”

 Einde.

Print Friendly