Door Albert Waterhondt

Aanpassen vreet energie. Nauwelijks terug van het vrije dus gezonde half jaar in Friesland, moest hij zich niet alleen aan zijn moeder gewennen, maar ook zich voorbereiden op het toelatingsexamen van de middelbare school. In het holst van de morgen ging hij al naar school om zich met zogenaamde Toetsnaalden bezig te houden. Hij slaagde voor het examen, maar gedurende het hele  eerste kwartaal op zijn nieuwe school was hij ziek. Hij werd er doorheen gesleept door zijn moeder die hem zijn Latijn overhoorde.

Nog tijdens zijn veertiende levensjaar moest hij uiterlijk om halfnegen naar bed. Hij deed dat gehoorzaam maar luisterde stiekem in het donker naar spannende hoorspelen, zoals die over Paul Vlaanderen. Met een oud radiootje met honingraatspoelen, op de ombouw van zijn opklapbed. Voetstappen knerpten door het grind. ‘Ina, kindje…’, ‘Oh… Paul…’.

Op een donkere avond deed zijn vader een inval. Het was zijn eerste ervaring met een onregelmatige hartslag. Tijdens het Zesde van de Tien Kleine Negertjes van Agatha Christie had hij hem niet horen aankomen.  Hij schrok zich haast dood en was vervolgens de radio kwijt. Voorafgaand aan die radioluisterperiode was hij ‘s ochtends altijd helder van hoofd wakker geworden. Daarna is dat nooit meer voorgekomen. Jaren lang heeft hij gedacht dat het de straf van God was, omdat hij zo stiekem was geweest.

Ondanks het feit dat de oorlog afgelopen was, speelde hij nooit buiten en thuis kwamen geen leeftijdgenoten op bezoek. Die waren volgens zijn moeder een bron van besmetting, hetzij met een ziekte, hetzij met een ander  geloof of alle twee. De voor zijn moeder ergst denkbare besmetting was die met Roomsen. Die infectie moest ten koste van alles worden vermeden. Want die mensen aanbaden beelden.

De herinnering aan zijn tijd als Ei X begon langzaam naar boven te siepelen. Een vage nostalgie naar zijn vroegere vrijheid gloorde. Dus, toen op een avond de concierge hem op school, op telefonisch verzoek van zijn moeder, uit de zaal kwam roepen  tijdens het spannende voorlaatste bedrijf van een toneelstuk (het was immers al later dan eenentwintig uur dertig), ontstond er in zijn binnenste opeens een explosieve situatie. De maat was vol.

De aandachtige lezer weet inmiddels al sinds aflevering één dat hij reeds als ovocyt gezegend was met een uitzonderlijk goed geheugen. Ik voeg daar aan toe dat zich dat geheugen na de geboorte niet alleen in zijn hersencellen bleek te bevinden maar ook in alle andere cellen van zijn lichaam. Van top tot teen. Niet voor niets was hij altijd ziek als hem iets niet beviel.

Een groot tumult verspreidde zich door hoofd en lijf. Zijn ongewilde val als ovocyt tijdens het geluid van antirevolutionair feestgewoel,  persistente geluiden van morseseinen, het geklaag over zijn te grote hoofd, Fauntleroy’s kraag, snorrende V1’s, gierende V2’s, sputterende overvliegende bommenwerpers en ack-ack-ack, Wer reitet so spät durch nacht und Wind, das Kind war tot,  der Winnetou auch tot, dat alles draaide in hem rond.

Toen gebeurde het wonder. Plotseling moest hij denken aan de bevrijding door de Canadezen en aan zijn geweldige oud-tante. Aan de enige paar maanden van vrijheid die hij in zijn leven gekend had. Nooit was hij toen ziek.

Hij kreeg eindelijk door wat er aan de hand was. Een gevoel van opluchting maakte zich van hem meester. Het begon bij hem te jeuken. Het gevoel kende hij al, dat weet u uit aflevering één.

(wordt vervolgd)

Print Friendly