Door Albert Waterhondt

Op een morgen werd er aan de deur gebeld. Hij deed open en daar stond een heel jonge Duitse soldaat. Behangen met Schmeisser en handgranaten. De soldaat keek  enigszins verlegen uit zijn ogen. “Ist der Papa da, bitte?”, vroeg hij beleefd en gaf hem een papier in de hand. Daar stond iets boven dat hij dacht dat rijmde met knevel. Nee, Pappa was niet thuis. Zijn moeder kwam er even bijstaan en zei hetzelfde. Toen is de soldaat maar weer weggegaan. Vanaf die dag kwam de Protos stofzuiger tot zijn recht. Het apparaat stond naast het bed van zijn ouders en wanneer bij een razzia in zijn stratenblok de stroom werd aangeschakeld, begon het apparaat te loeien en was zijn vader er meteen van door. Later zou hij horen dat die dan een schuilplaats onder een grote berg toiletpotten indook, in het magazijn van een naburige groothandel in sanitair. Het was allemaal zo spannend. Er gebeurde tenminste wat.

Er lag een berg aardappelen in een kast en die werden blauw en kregen hele lange wortels. In de keuken stond een klein rond plaatstalen pannetje op poten en dat heette een Majo kachel. Die werd gestookt met stukjes teer die hij met andere jongetjes  elke dag uit het middenpad van een laan haalde, aan de rand van het mijnenveld. Toen de mensen uit de daar leegstaande huizen alle deuren en ramen en uiteindelijk ook de vloeren en balken sloopten, mocht hij er van zijn ouders niet meer in de buurt komen.

Toen werd hij naar een oude dorpsverpleegster, een ongetrouwde tante van zijn vader, in Friesland gebracht. De eerste andere vrouw in zijn leven. Toch begreep hij niet waarom hij bij haar nooit ziek was. Na vier maanden zag hij bij haar de Canadezen aankomen en stond paf toen onder gejuich haar vooroorlogse auto opgegraven werd van onder de werkvloer in de dorpssmidse. De oorlog was voorbij en al snel kende hij het Friese volkslied uit zijn hoofd. Toen moest hij terug naar zijn moeder. Dat was even wennen.

(wordt vervolgd)

Print Friendly