Door Albert Waterhondt.

Langzaam groeide het embryo dat uit het ei X was onstaan. Het onderging een gedaanteverwisseling. Het werd een homunculus met alles erop en eraan. Hij zat ergens aan vast maar toch kon hij prettig zwemmen en buitelen. Op den duur was voor buitelen echter steeds minder ruimte beschikbaar. Zo bleek hem al vroeg: hoe ouder hoe onvrijer.

Wat hij zich later uit die tijd voornamelijk zou herinneren waren  de geluiden die hem bereikten door het water. Een continu gebons, basso ostinato, soms langzaam soms snel. Hij zou daar een goed gevoel voor ritme aan overhouden. Ook hoorde hij in het water mooie muziek. Er Ruist langs de Wolken. Johannes de Heer. De Kleppermars. Jacob Hamel. Dit leidde ertoe dat hij later gek was op de opera Carmen. Hij hoorde ook stampen en hijgen, maar dat beseft hij pas later toen hij dat geluid opnieuw hoorde en herkende. Alles gebeurde namelijk twee hoog achter, geen lift.

Op een dag overkwam hem iets verschrikkelijks. Hij werd ruw gedwongen het water te verlaten. Dat ging gepaard met enge geluiden. Hem zou later meermaals onder de neus gewreven worden dat hij tevoorschijn was gekomen met een erg groot hoofd. Alsof hij dat kon helpen.

De aanblik van schoenneuzen is zijn vroegste visuele herinnering. In afwezigheid van zijn moeder was hij van de commode gevallen. Zijn hoofd kwam onder de commode terecht maar kon er niet meer onder vandaan. De commode moest worden opgetild. Aan dat alles had hij niets kunnen doen.  Toch trok hij het zich altoos persoonlijk aan wanneer zijn moeder dit verhaal herhaalde. Later, toen hij ook moeders van andere kinderen aardig begon te vinden, zou zij hem een te groot hart verwijten. Dit kwam bij hem even onprettig over als de obligate klacht over zijn te grote hoofd. Het is goed om dit nu al te onderstrepen.

(wordt vervolgd)

Print Friendly