Door Albert Waterhondt

Het regende flink toen hij met zijn vrienden de gehuurde Volkswagen parkeerde in de buurt van het Centraal Station van Amsterdam. Uitgehongerd gingen ze op zoek naar Le Chat qui pélote en vonden het bistrootje vlak naast een bruggetje. Al etende vroegen ze de eigenares naar het adres van de bar waar Kid Dynamite speelde en raakten met haar aan de praat. ‘Jullie moeten eens kennis gaan maken met de dames achter de ramen’, zei ze, ‘dat zijn doodgoeie meiden, ze hebben het leven leren kennen en als ze eenmaal met je trouwen zijn ze je hondstrouw en je kan je geen betere moeders voor je kinderen indenken, echt waar.’ Dat maakte indruk dus ze namen geen koffie, betaalden en gingen meteen aan de wandel.

De vrienden verdwenen een voor een ergens naar binnen voor een kennismakingsbezoek, behalve Albert die achter de ramen met vlasblonde feeën in wijnrode verlichting geen enkel zwartharig meisje kon vinden. Zoals de aandachtige en trouwe lezer weet, was dat nu juist het type meisje waar hij al zo lang van droomde. Hij begon al aardig genoeg te krijgen van het gedrentel, toen hij in een zijstraat een auto met een Frans nummerbord zag staan, voor een bar met de exotische naam ‘Mexico City.’ Ineens had hij geen belangstelling meer voor doodgoeie meiden. Hier was een kans om voor het eerst met een echte Fransman te praten. Zonder zich verder te bedenken stapte hij naar binnen bij het etablissement.

Tot zijn stomme verbazing zag hij aan de bar een man zitten die sprekend leek op zijn held Albert Camus, wiens gezicht hij zo goed uit de kranten kende. Hij schoof naast hem aan en bestelde twee jonge klares. Dat werd zeer geapprecieerd door zijn buurman die zich onmiddellijk voorstelde met “Jean-Baptiste Clamence, advocaat uit Parijs” en een lang verhaal begon over iets wat hem ontzettend dwars leek te zitten. Monsieur Clamence had altijd gedacht dat hij superieur van karakter was, een voorbeeld voor anderen, maar er was hem iets overkomen dat het tegendeel leek aan te tonen. Op een donkere avond stak hij lopende de Seine over en zag een verdrietig meisje op de brugleuning  zitten. Dat hij niet gestopt was  om een praatje met haar te maken was nog tot hier aan toe. Echter, nadat hij haar een paar meter gepasseerd was, had hij beneden achter zich een plons gehoord. Hij had even omgekeken, het meisje niet meer op de brugleuning gezien en was doorgelopen zonder iemand te waarschuwen. ‘Dat is het, wat me zo dwars zit, meneer, begrijpt u dat? Ik ben mezelf zo tegengevallen dat ik mijn practijk in Parijs heb gesloten en hier terug tot mijzelf probeer te komen.’

Albert genoot ervan dat hij de meneer zo goed kon verstaan en wilde nu graag het spreken met een echte Fransman gaan oefenen. Hij dacht aan de gesprekken met de vader van zijn zwartharige vriendin, de psychiater en besloot  Monsieur Clamence gerust te stellen door hem erop te wijzen dat hij het echt niet kon helpen. Hij zou als het archetype Hermes kunnen zijn geboren. Echter, hij kreeg geen kans. De man praatte aan een stuk door. ‘Maar waarom bent u nu juist in Amsterdam uw gemoedsrust terug gaan zoeken?’, was alles wat Albert er even, in zijn beste Frans, tussen kon krijgen. Die vraag bracht de Fransman in vervoering.

“Holland is een droom, meneer, een droom van goud en rook, overdag rokeriger, ‘s nachts meer verguld. Dag en nacht wordt deze droom bevolkt door Lohengrin, zoals die lui hier, die dromerig rondjes rijden op hun zwarte fietsen met hoge sturen, statige zwanen die onophoudelijk rond drijven, het hele land door, rond hun meren en langs de grachten. Zij dromen met het hoofd in hun koperkleurige wolken, ze draaien alsmaar rond, zij bidden als slaapwandelaars in de gouden wierook van de nevel, ze zijn afwezig. Ze zijn vertrokken naar Java, het verre eiland, duizenden kilometers weg. Ze bidden tot de grijnzende goden van Indonesië waarmee ze hier hun ramen versierd hebben en die op dit moment boven ons zweven, alvorens als weelderige apen te gaan hangen aan hun uithangborden en trapgevels, om aan hun kolonisten in herinnering te brengen dat Holland niet alleen het Europa is van de kooplieden, maar de zee die zich uitstrekt tot Cipango en de eilanden daar, waar de mensen gek en gelukzalig sterven.”

Gek en gelukzalig sterven. Wat een prachtig vooruitzicht. Dat is heel iets anders dan de  hel van meneer Calvijn. In een flits dacht Albert aan al die leuke patienten die hij open had gedaan bij de psychiater, de vader van zijn zwartharige vriendin. Aan het feit dat in het Verre Oosten alle meisjes zwart haar hebben. Hij besloot ter plaatse om het zekere voor het onzekere te nemen. Hij stond op, betaalde, nam afscheid van Monsieur Clamence, stak de brug over naar het Centraal Station (zonder naar de brugleuning te kijken) en ging spoorslags terug naar Leiden. De volgende dag verbrak hij de relatie met zijn vriendin, sprak een Franse doctoraalscriptie af met een promotor en maakte een tijdschema om zo spoedig mogelijk per boot naar het Verre Oosten te vertrekken. In Vietnam wordt immers ook goed Frans gesproken. Voor de zekerheid wilde hij vertrekken via Marseille, dan zou hij op weg er naar toe, met de trein, toch nog iets van Frankrijk kunnen zien.

Snelle besluiten zijn goed mits er van te voren lang over is nagedacht. Het licht breekt dan door en alles is in een keer duidelijk.

(wordt vervolgd)

Print Friendly