April 1933. Terborgh ging voortvarend verder met zijn introductie. Met Annemarie, de jongere zus van Marguerite van nog geen twintig – een tomboy-achtig meisje, ze zou later jarenlang jockey zijn –  ging hij een paar dagen lang de nabije omgeving verkennen in een zes-cylinder Renault cabriolet. “Voor het eerst tafelberglandschap gezien.”

Ze gingen onder andere naar het vliegveld Barajas, toen nog een kale vlakte met een paar kleine gebouwen. Hij zou daar later ook met zijn vrouw vaak naar toe gaan om naar de vliegtuigen te kijken. Een impressie van een dergelijk bezoek komt voor in ‘Het gezicht van Peñafiel”. De tochtjes in de Renault bevielen zo goed dat hij besloot om de bestelling van de Plymouth te annuleren en te gaan voor de Renault. Een chauffeur, Feliciano, werd ingehuurd om hem en Marguerite rond te rijden en om hemzelf rijles te geven in de Renault PrimaStella.

In April werd op dineetjes en recepties kennis gemaakt met zijn collega’s van andere gezantschappen en ambassades, waaronder met de Portugees (José) vicomte de RibaTamega en met de Deen Tage Bull. Met Tage Bull zou hij vele jaren lang in nauw vriendschappelijk contact blijven. Bull en Riba komen voortdurend voor in de Spaanse dagboeken.

De tochten voerden steeds verder, vooral in de weekends waarbij soms op de zaterdagavond ergens werd geslapen. Tegen het eind van Mei had Terborgh zijn rijbewijs gehaald  dus was Feliciano niet meer nodig. In het weekend van 10 en 11 juni 1933 werd samen met de Nederlandse gezant Nepveu, Riba, Bull en nog enige andere diplomaten in een paar auto’s een avontuurlijke tocht ondernomen naar de Sierra de Gredos, via Avila.

Wegen, dorpen, gebouwen waren in die tijd nog uiterst primitief en het landschap was nog vrijwel ongerept. Er werd hier en daar gestopt en gepicknickt. Men stopte onder andere in Navarredonda, Guisando, Arenas de San Pedro. Uit zijn dagboek:

Een klein uur gaans verder ligt een dorp. Navarredonda; een deel in een plooi van het terrein, een ander deel, op enige afstand tegen een vlakke heuvel aan. Op rondgewassen, grijsblauwe granietblokken langs de weg zijn granieten kruizen opgericht, niet meer dan manshoog en scheefgezakt, elf verstrooid en drie bijeen: Golgotha. Luguber rekken zij zich in een leiblauwe kille hemel; merktekens op welk knekelveld? De muren der huizen van Navarredonda zijn nauwelijks drie meter hoog, vaak minder; uit ruwe granietblokken samengevoegd met hier en daar een venstergat, verweerde pannendaken erboven; kleine voorpleinen achter dikke muren verborgen als primitieve vestingen. We zochten in deze modderige granietwoestijn naar een slok landwijn. Een rachitische jongen, onbeholpen en zwijgzaam, wees ons de weg. Een klein voorplein achter muren, een zich verwoed krabbende hond en een haan op een bank. De deur stond aangeleund en een gang, dwars door het huis lopend naar een achterdeur, was laag, maar men riep ons uit een vertrek terzijde.

Door een smalle opening, minder dan manshoog, zagen we in een vensterloze ruimte, niet meer dan twee meters in ‘t vierkant en minder in de hoogte. De zoldering vormde haast geheel een zwartgerookte schouw, door de schoorsteenopening viel vaal daglicht. Vuur brandde op een pijnlijk schone vloer en in de rook zaten op muurbanken tegenover elkaar man, vrouw en grootmoeder; de vrouw zoogde haar kind. De man haalde wijn, hij was zeer spraakzaam, had een kaal, gerimpeld Sancho Pansa gezicht. In het voorbijgaan legde hij in het halfduister zijn hand op de schouder van een zich zacht op de benen wiegende gedaante: “deze man is blind”. Hij zei het als meende hij: “Deze man is ver gereisd; tot naar Patagonië en de kruideneilanden” en de blinde beaamde in dezelfde toon – De wijn was bitter, maar de mensen gul en vriendelijk.”

De toon voor zijn haast vijf jaar durende verblijf in Spanje was gezet. Dat verblijf zou een onwisbare indruk achterlaten, die voelbaar bleef in zijn gehele literaire werk.

(wordt vervolgd)

Print Friendly