Ooievaars in Oropesa, sinds onheugelijke tijden

Na terugkeer van zijn rondreis over de Meseta begint Terborgh terstond met het plannen van een ‘Paaschreis’ met de gezant Nepveu, zijn grote vriend de Deense diplomaat Tage Bull en de Portugese gezant de Viconde de Riba. Hij laat zijn auto goed nakijken en vier nieuw banden omleggen.

Terborgh tekent tijdens en na de reis het volgende aan in zijn dagboek en geeft weer blijk van zijn uitzonderlijk goede observatievermogen en een schrijfstijl die we uit zijn literaire werk niet kunnen vermoeden:

Donderdag 29 maart. Vertrokken naar Oropesa, Merida via Trujillo. Het weer is niet slecht – bedekt – maar eerder nevels dan wolken. Weinig geslapen. Merida. Tussen regen en zonneschijn. In Oropesa een Parador gebouwd in fragmenten van een oud, niet al te interessant kasteel – maar zeer genoegelijk. Op de daken en torens der omliggende kerken wel 40 klepperende ooievaars geteld – zeer amusant.  Naar Trujillo.

Mooie overgang over de Taag. Sierra-achtige landschappen – mooie, soms haast hollandse dreigende luchten. In Trujillo niet gebleven – het landschap wordt zuidelijk. Veel groen reeds en weidebloemen – cactussen temidden van rotsen – meer zon. De weg wordt beter. In Merida van 5 tot 7 rondgewandeld. Romeins theater vrij compleet maar gedrukt en stoffig zoals helaas meestal dergelijke resten. De Romeinse waterleiding met de ooievaars erop zal wel niet veranderd zijn in de loop der eeuwen – maar de buurt er omheen rijkelijk veel lelijker.

Casa de Corbos interessant. Stadje reeds rijkelijk zuidelijk – mannen met de stijve grijze hoeden. Aardige Parador – minder dan in Oropesa.  De kamers eenvoudig – haast kloosterlijk zoals in alle Paradors  – bed smal en goed – een blaffend hondje ‘s nachts en het geklepper van ooievaars – door ‘t open raam valt maanlicht. Goddelijke rust – men wordt zeer uitgeslapen wakker – in de verte kraaiende hanen en weer het geklep van ooievaars.

Vrijdag 30 maart. Merida. Een niet oninteressant museum – enkele goede romeinse stukken – westgotische ornamenten – mooi zonnig weer. Van het conventual zijn maar cycloopachtige muren (westgotisch!) over. In ‘t midden een in de grond begraven stenen gemetseld blok. Leidt naar een gang met westgotische resten en een andere dalende gang naar een cysterne. De lucht vol roofvogels – een ooievaar draagt langzaam vliegend een spartelende pad naar zijn nest. Kikkergekwaak in de moerassige oevers – van een wal gezicht op de Romeinse brug.

Het landschap verandert op weg naar Badajoz – cacteeën, agaven, witgekalkte huizen met rode daken, wijn, meer bomen en bebouwde heuvels, soms Hollandse luchten. Aardige gele moerasbloemen in het gras langs de weg. Zon – dreigende hemel in het Westen. Badajoz: Grensvesting – veel modder op de weg, er langs gereden zonder oponthoud. Spaans-Portugese grens – Wegen ten dele nog slecht. Geheel andere natuur – alles sappiger – alles bewerkt. Eucalyptuslanen. Veel kurkeik. Vila Viçioso – nat – vaag vervallen. Even een ogenblik stilgehouden. Alles witgekalkt – zelfs hele steden: in ‘t begin meende ik een rotsachtige bergtop te zien, maar het was een stad: de grensvesting Elvas. Lijkt blauw vanuit de verte.

Met regen in Evora aangekomen – middeleeuws witgekalkt stadje – zeer nauwe straten – matig hotel, matig eten, matige wijn, Riba vindt alles delicieus. Daarna wandeling door ‘t stadje met een functionaris van ‘t vreemdelingenbureau. Portugezen wel veel beleefder dan Spanjaarden. De beenderkapel: Nos osses que aqui estamos Pelos vossos esperamos [Wij beenderen hier, wachten op die van u]. Kathedraal die met haar geribde zuilen ietwat aan Siena doet denken. Kloostergang.

Convento da Graça — Diana tempel.  Alles zeer persoonlijk – eigen stijlvormen – maar niets wereldschokkends. Verder naar het westen gereden – het landschap lijkt vaak op de zandgronden in het oostelijk deel van Holland – ook de luchten. Men heeft het merkwaardige, maar zeer duidelijke gevoel op weg naar zee te zijn – vermoedelijk door de zware laaghangende natte nimbi in het westen. De atmosfeer veel vochtiger – wisselend buiïg weer.

De boeren dragen lange bruine mouwloze mantels met dubbele pelerins – kraag – zeer vermakelijk – vaak bovenop een kraag een vossebont. Grappig statig en verlopen tegelijk. Eenzame smalle weg – heel veel bochten – zonnige namiddag. Tegen kwart over zeven beneden aan de oever van de Taag aangekomen – prachtig gezicht op Lissabon bij vallende nacht – op de pont genoten. De verslonsde oorlogsvloot ligt voor de stad en op de pont informeren geheime agenten naar de onbekende reizigers – ridicuul landje. Rothotel. Rotte buurt. In de hele stad voortdurend klimmen en dalen. Alle huizen bont beschilderd – grappig kleinsteeds effect. Mooie maannacht.

Zaterdag 31 maart. Ellendige dag. Zeer verslappende buikloop opgedaan. Gezant vindt luizen in bed – spanning. Toch maar in stortregen op stap gegaan. Het koetsenmuseum gezien. Merkwaardige 16e eeuwse vehikels – zeer de moeite waard – nog nooit zoiets compleets gezien. Daarna de prachtige rijke abdij van S. Jeronimo. Werkelijk indrukwekkend gebouw – ongelofelijk rijk in decoratie maar niet overladen. Bijzonder mooie licht – en ruimte verhoudingen in de kerk. Kloostergang. Toren van Belem op afstand – terug naar stad. Een uur gaan slapen om wat op krachten te komen.

Déjeuner met Riba en zes verdere leden van het gezin. Om drie uur vertrokken langs ellendige weg naar Sintra. Buiïg – merkwaardig slot met kalkovenachtige torens. Naar weg naar Oporto gezocht en in Mafra uitgekomen. Verder gereden naar Caldas da Reinha en daar in een matig hotel overnacht – beneden bij het grote plein en het standbeeld van de koningin. De hele dag zeer veel last van darmen gehad. Moe en verslapt. Achter Mafra een lekke band.

Zondag 1 April. In het stadje in enkele fayence winkels rondgekeken (een rode vis voor Marguerite gekocht) en door gereden naar Alcabaça. Daar het merkwaardige klooster bezichtigd en de grote keuken waar een deel van het beekje doorheenstroomt. Nu oude mannenhuis – er wordt stokvis gekookt – de lucht ervan doordringt alles en over alles hangt de weeë zure lucht van armoede.

Verder gereden naar Batalha met zijn capelas imperfeitas en de graven van de Aviz – dynastie. Verder naar Coimbra alwaar geluncht. De kathedraal bekeken en de universiteitsbibliotheek. Merkwaardig vervallen pompeus geheel. In de late middag en vlug vallende avond op slechte wegen verder gereden naar Vilar Formosa (vermoedelijk over Celorico de Beira-Guarda – en Pinhal) een der remblokken werkt slecht – bij elk remmen wijk ik naar links af – dicht bij de afgrond. In het donker in Vilar Formosa aangekomen. De grens blijkt dicht. Bedenkelijke stemming – in een klein locaal hotelletje toch nog buiten verwachting redelijk geslapen.

Maandag 2 april. Ook ‘s ochtends nog moeilijkheden met grensoverschrijding – de ambtenaar is niet tijdig genoeg ter plaatse. Via Ciudad Rodrigo en Salamanca terug naar Madrid. Voor aankomst in het Spaanse grensdorp een uiterst slechte weg en een bruggetje waar een auto met Engelse toeristen ons tegenkomt. Ik herinner me twee zeer aantrekkelijke vrouwengezichten – maar zij reizen de andere kant uit, waar wij vandaan komen. Voor Ciudad Rodrigo nog twee lekke banden op een weg die meer op een karrespoor lijkt. ‘s Avonds thuis in Madrid. Totale kosten Pes. 235

Hij schrijft een brief aan Marguerite en vat alles nog eens samen, nu nog kernachtiger:

Portugal nog primitiever dan Spanje en overdadig smerig. Mensen allerbeleefdst – op het chinees-onzinnige af. De hele boel rijkelijk operette-achtig. Riba in zijn milieu voortdurend beledigd. Een douanebeambte komt drie uren te laat op zijn werk en doet ons een uur verliezen – en Riba zegt nóg: muit’ obrigado. De zaak is touchant – op een afstand gezien – maar niet middenin. Een in de grond valse overbeleefdheid, “de volmaakt georganiseerde staat op basis van de beleefdheid”.  

Hotels allerprimitiefst. Voedsel onbetrouwbaar. Wegen voor 50% allerellendigst. Het nieuwe echter uitmuntend. Geheel persoonlijke beschaving – eigen stijl – maar sedert 17e eeuw alles morsdood. Bevolking: vriendelijk, arm, dronken en stinkend. Lissabon: prachtig panorama, maar ellendige stad. In beginsel veel gelijkenis met Holland, maar geheel andere dosering. Alles volkomen slap – de mensen willen graag – maar kunnen niet. En beledigd indien men gebreken constateert. Men wenst dat de ander zich verontschuldigt iets gezien te hebben dat niet deugt. Volk is werkzaam; althans “druk bezig” maar misschien doen ze ook niets. Alles stinkt er tot zelfs in de keuken toe en het is nog niet eens zomer. Kortom: touchant – amusant en exaspérant.

 

Print Friendly