de verhalencurator
verhalen over het echte leven en creativiteit

een blog van jan doets

 

Dit is de vrouw waarover Prokofiev op 29 december 1920 in zijn dagboek schreef, in Los Angeles : “and then a new face appeared, Baranovskaya, a former student of Meyerhold, a beautiful woman who suffered not at all by comparison with Ariadna…,  Baranovskaya I very much took to.”

Zij heette toen Maria Viktorovna Baranovskaya. Haar meisjesnaam : Maria Sila-Nowicki.

Ik maakte kennis met  “Moussia”, zoals haar intimi haar mochten noemen, op 14 mei 1935, in het dagboek van F.C. Terborgh. Zij was toen de vrouw van Terborgh’s boezemvriend Gino Antonini. Terborgh bleef nauw bevriend met hen beiden tot de dood hen scheidde.

Terborgh zag haar voor het eerst bij hen thuis, in Parijs, zie mijn artikelen over Terborgh vanaf nummer 16. Ook Slauerhoff heeft haar daar goed gekend, al sinds 1934, hij zat eens geduldig aan het ziekbed van haar dochterje Natasha, de latere dichteres Natasha Borovsky. De enorme ruzie die tussen Slauerhoff en du Perron ontstond, ging onder andere om deze Maria waarmee Slau, ten onrechte, dacht dat hij het makkelijk kon aanleggen.

Het was oorspronkelijk mijn bedoeling om dit verhaal op de Engelse en Franse blogs te laten voorlopen en niet veel  later met een Nederlandse vertaling te komen, omdat er op de Nederlandse blog eerst nog zoveel te vertellen was over Terborgh, vooral over zijn tijd in Spanje tijdens de Spaanse burgeroorlog.

Echter, het verhaal over Moussia maakte zoveel los bij lezers  in de Verenigde Staten, Engeland, Frankrijk en Rusland, dat het schrijven ervan een jaar lang een full-time bezigheid werd. Van overal werden me nieuwe informatie en foto’s aangedragen.

Het werden uiteindelijk vijftig lange artikelen met treffende  illustraties en bijzondere onthullingen, zoals die over Giacomo Antonini, de vriend van Terborgh.  Hij was voor de Tweede Wereldoorlog een bekende literair criticus, bevriend met de toenmalige groten van de Nederlandse literatuur.

Moussia, Russische uit een Poolse adellijke familie, in october 1917 gevlucht uit Rusland naar Amerika via Siberië en Japan samen met haar man, de Russische ‘Krupp’  Vladimir Baranovsky, door haar huwelijk met de grote pianist Alexander Borovsky Letse geworden en vervolgens door haar huwelijk met Giacomo Antonini Italiaanse, was heel bijzonder.

Zij rekende de groten der muzikale aarde tot haar vrienden, behalve Prokofiev ook grote pianisten en grote dirigenten uit de 1930-er jaren zoals Bruno Walter en Furtwängler. Na de oorlog verkeerde zij in de vooraanstaande literaire milieus van Parijs.

Mijn bronnen stelden mij in staat om haar te volgen vanaf haar voorfamilie in de 19e eeuw, via haar ontsnapping uit Rusland  in 1917 en haar eerste jaren in de Verenigde Staten (toen ze publiciteit maakte voor haar aangetrouwde zwager Alexander Kerensky, leider van het Provisionele Regering van Rusland), tot en met haar verblijf in Parijs van 1923 tot 1959.

Het was een onverschrokken vrouw, die er bijvoorbeeld  niet voor terugdeinsde om haar jongere broer uit de Lubjanka te gaan halen door in de 1920-er jaren bij de chef van de Tcheka op bezoek te gaan tijdens een tournee van haar toenmalige echtgenoot Borovsky. Ze haalde haar man Antonini in 1944 achtereenvolgens uit een fascistische en communistische gevangenis.

Vooral uit Frankrijk was er grote belangstelling voor mijn verhalen. Dat heeft ertoe geleid dat ik  op 18 Augustus jongstleden ook met een meer literair getinte Franse blog ben begonnen, in de vorm van een collectief met sommige van mijn inmiddels bevriende lezers, deze blog is genaamd  Les Cosaques des Frontières . De titel is een knipoog naar F.C. Terborgh, die zich een ‘grenskozak’ noemde. Een en ander is uitgelegd in het ‘À Propos’ van die blog. Ik publiceer daar behalve eigen verhalen ook mijn vertalingen van sommige korte verhalen van Terborgh, om hem bij mijn Franse lezers te introduceren. Uit hun reacties blijkt dat ze niet begrijpen waarom hij niet eerder is vertaald.

Door gebrek aan tijd zal een Nederlandse vertaling van de Moussia Kroniek  er niet meer van komen. Ik verwijs u daarom naar een van mijn twee andere ‘Curator’ blogs.

Komt u daar ook met Moussia kennis maken ?

 

Print Friendly

 


Een jaar of tien geleden, tijdens mijn onderzoekingen in de dagboeken van de schrijver F.C. Terborgh, had ik ook toegang tot zijn archief van honderden foto’s en negatieven, opgeborgen in ouderwetse kaartenbakjes.

Op de bodem van een van die doosjes vond ik een minuscuul pakje. Een in vier delen gevouwen envelop van de Bar Basque in Saint-Jean-de-Luz.  Dit etablissement werd tijdens die oorlog gefrequenteerd door diplomaten en journalisten, van rechts en links. Ook Ernest Hemingway en Robert Capa kwamen er vaak .

In de envelop bevond zich, in de afgescheurde hoek van weer een andere envelop, een stapeltje afgeknipte Leica kleinbeeldnegatieven, zesentwintig in getal, aan de nummering te zien afkomstig van verschillende films. Op de buitenkant een stempel van de Spaanse nationalistische censuur.

Een fotograaf zal een kleinbeeldfilm niet gauw in stukjes knippen, hoe moet hij daarmee aan het werk met zijn vergrotingsapparaat ? Het leek er dus op dat de negatieven om een of andere reden de Spaanse grens over waren gesmokkeld.

 

Terborgh heeft de Spaanse burgeroorlog ter plaatse intensief meegemaakt in de periode 1936 – 1938, toen hij werd overgeplaatst van Spanje  naar Peking. Ik wist dat hij regelmatig tochten achter de frontlinie maakte met drie vrienden die hij in Madrid en in de Bar Basque had leren kennen en die hij “de wereldpers” noemde :

Hubert Hermans, journalist van  katholieke Nederlandse dagbladen zoals De Residentiebode ; Paul Werner, een Zwitserse journalist ; en een Letse fotograaf genaamd Timuzko. Met hen maakte hij bijvoorbeeld de intocht van de Italiaanse troepen van Generaal Anibale Bergonzoli (‘Barba Elettrica’) in Santander mee, in Augustus/September 1937. Duidelijk een gezelschap van rechtse signatuur, deze vier heren.

Het was dus met grote nieuwsgierigheid dat ik de zesentwintig negatieven scande in een speciale HD kleinbeeldnegatief scanner. Het bleken prachtige foto’s te zijn, gemaakt in een stijl die doet denken aan die van Robert Capa.

Het kostte me geruime tijd voordat ik de foto’s kon identificeren, aan de hand van de erop afgebeelde puinhopen. Ze bleken te zijn genomen tijdens de val van de stad Teruel, in februari 1938. De veldslag om Teruel duurde van 15 december 1937 tot 22 februari 1938 en eiste naar schatting 85000 doden aan Republikeinse en 57000 doden aan Nationalistische kant.

Ik zal de foto’s in de toekomst publiceren op deze blog, maar het zal nog even duren voordat ik mijn Nederlandse serie over Terborgh kan voortzetten. Inmiddels kunt u de foto’s reeds bekijken op een van mijn twee Franse blogs, u hoeft daarvoor geen Frans te kennen, de foto’s spreken voor zich. Hier volgen twee links :

De val van Teruel, februari 1938
(bij Les Cosaques des Frontières, u kunt hierin de zeven geïllustreerde artikelen scrollen)

Terborgh en Antonini
(bij Le curator de contes, intocht Santander)

Print Friendly

‘De grootste vijand van de literatuur is haast’, kopte de Haagse Post op 8 januari 1977. Het stond in grote lichtblauwe letters op de voorpagina, dwars over een grote kleurenfoto van een keurige heer in blazer, grijze broek en suede schoenen, achterover leunend in een witte tuinstoel, onder een stenen boog omlijnd door een wingerd met rode bloemen, souverein terneder starend naar de fotograaf, een paar treden lager. De man was F.C. Terborgh, de fotograaf Steye Raviez. De journalist die het interview schreef was Jan Brokken. Zou een schrijver van een klein oeuvre vandaag de voorpagina van een opinieblad halen?

De journalisten waren Terborgh in November 1976 gaan opzoeken in zijn huis in Linhó, Sintra, Portugal, omdat hij op het punt stond 75 jaar oud te worden. Hij woonde daar sinds zijn pensioen in 1967. Zijn laatste post was ambassadeur in Lissabon. Tijdens zijn carrière vanaf 1932 arriveerde hij op zijn posten net voordat er grote moeilijkheden kwamen.Toeval. Hij was in Madrid  tijdens de Spaanse Burgeroorlog, in Peking toen de Japanners er binnen vielen, in Londen en Lissabon tussen spionnen en displaced persons tijdens de tweede wereldoorlog, in Warschau toen Polen in handen kwam van communisten. Dat heeft allemaal op subtiele wijze weerslag gekregen in zijn werk. Hij overleed in 1981 te Sintra, aan een complicatie na een routine operatie. F.C. Terborgh was zijn pseudoniem, zijn naam was Reijnier Flaes.

Deze schrijver is vergeten, behalve bij een kleine schare liefhebbers. Dat is jammer want zijn korte verhalen en novelles zijn nog steeds de moeite waard. Een wat archaïsche stijl, vooral in zijn vroege werk, verraadt dat hij zijn vroege jeugd in Duitsland heeft doorgebracht. Zijn vader was Nederlands marineofficier die zich met Terborgh’s Duitse moeder had teruggetrokken in Hamburg en daar consul was.

Terborgh was een eigenzinnig mens, he did not suffer fools gladly, maar hij kon ook zeer charmant en geestig zijn. Typerend voor hem is de volgende anecdote. Terborgh bewaakte voor het pensioen zijn pseudoniem als een staatsgeheim. De uitgeefster van Querido, Alice van Nahuys, bracht in 1954 een boekje uit over haar “stal” schrijvers, genaamd ‘Singel 262, vierentwintig biografieën”. Iedere auteur van de 24  moest een korte biografie en een foto leveren. Terborgh leverde wel een biografie maar geen foto. Na hardnekkig aandringen van Alice, stuurde hij deze foto, met achterop geschreven:

‘De mensen die mij kennen vinden deze houding zeer karakteristiek.’ Alice, in woede ontstoken, stuurde hem toen het manuscript terug van de dichtbundel die hij later in eigen beheer zou uitgeven onder de naam “Padroëns”, met een briefje waarin ze opmerkte dat ‘toch niemand deze grijze poezie zou willen lezen’. Terborgh maakte zich geen illusies over zijn toekomstige faam. Tegen een van zijn zoons zei hij eens: ‘Als jaren na mijn dood een arme student een van mijn boekjes koopt bij een antiquaar, heb ik succes gehad.’

 

(wordt vervolgd).

Print Friendly

Terborgh en zijn vrouw Marguerite op 16 juni 1934 in Algeciras, Spanje, foto genomen door de dichter Jan Slauerhoff.

Dankzij een gelukkige samenloop van omstandigheden, heb ik me sinds 2002 kunnen verdiepen in zijn persoonlijke dagboeken en fotoarchief, beslaande de periode 1931 tot 1948. Dit is de periode die de achtergrond vormt voor zijn literaire werk en waarin hij als diplomaat achtereenvolgend geplaatst was in Zwitserland, Spanje, Portugal, China, Engeland, Portugal en Polen.

Drieduizend dagen dagboek heb ik ontcijferd uit een minuscuul handschrift en opgenomen in een database. In het Nationaal Archief en het archief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken heb ik aanvullend onderzoek kunnen doen. Verder heb ik Terborgh’s paden gevolgd door zijn ‘Iberisch landschap’ tijdens reizen in 2000, 2003 en 2005. Het is dat gebied dat hem blijvend beïnvloed heeft zoals blijkt uit de inleiding uit zijn meest belangrijke boek: ‘Het gezicht van Peñafiel’.

‘Ontevreden met allen en met mijzelf, ten prooi aan een grauwe leegte, aan de sleepende verwording van  tragen sleur – voor welk deel nog de vroegere? voor welk deel reeds verstard? – mistroostig, met wankelende zekerheid en versleten ontzag, met leege handen op den drempel van een verstreken jeugd, mijn leven minachtend en mijn doen, keer ik terug tot je, Iberisch landschap, bezieling van mijn vroeger mager geluk, bron van kracht en waarachtige grootheid. Laat mij je stilte hervinden, den wijden einder onder den eeuwig zoemenden wind, en den eenvoud voor een oprecht en nederig bestaan. De avond nadert, en de uren vergaan, de laatste goede, voor wie den dag niet heeft kunnen grijpen.’

Peking, October 1941.

Uit zijn dagboeken komt een andere man naar voren dan we vermoeden op grond van zijn boeken en de meeste van zijn interviews. Alleen Jan Brokken en Frans Boenders hebben hem ook kunnen zien zoals hij in wezen was: een aardse, geestige en gevoelige man.

Allereerst verwijs ik naar twee voortreffelijke internet artikelen uit het Biografisch Woordenboek van Nederland.

Het eerste artikel gaat over Terborgh zelf en is geschreven door P.E. van der Heijden-Rogier. Het tweede, van de hand van Ronald Spoor, gaat over Terborgh’s boezemvriend Giacomo Antonini, de pleegvader van Natasha Borovsky. Over hen schrijf ik op mijn Engelse en Franse websites.

Print Friendly

 

Reijnier Flaes, de man achter het pseudoniem F.C. Terborgh,  is geboren op 14 januari 1902 in Den Helder, zijn vader was marineofficier. Hij had drie zussen, van links naar rechts Jenny (10.7.1900), Beta (7.5.1904) en Edith (1.7.1906).

Aan de gezichten te zien is de foto in 1911/12 genomen in Dresden, waar Reijnier’s moeder vandaan kwam en waar de familie een paar jaar woonde nadat  zijn vader in 1908 was gepensioneerd. In 1914 werd zijn vader benoemd tot honorair Nederlands consul in Hamburg. Reijnier begon daar zijn middelbare schoolopleiding maar het leven werd hem onmogelijk gemaakt toen hij op school de meningen ventileerde, die hij thuis over de Duitse inval in België en Frankrijk hoorde.

Vanaf het najaar van 1916 zette hij zijn opleiding in Nederland voort, beginnend op het Gymnasium Haganum in Den Haag. Hij werd ingekwartierd bij de rector, dr. H. Cannegieter, die op de Jozef Israelslaan woonde. Tot zijn rechtenstudie in Utrecht woonde hij daar, onder donkere balken in een zolderkamer die aanvankelijk nog vrij uitzicht gaf op de weilanden.

Op die school was hij goede vrienden met Axel Rosendahl Huber. Deze vriendschap zou voortduren via correspondentie. Door Terborgh’s overplaatsingen als diplomaat en uiteraard door de Tweede Wereldoorlog werd deze correspondentie onderbroken. De laatste vooroorlogse brief dateert van 1936. Pas in in 1977 hadden ze opnieuw enig schriftelijk contact, het laatste voor Terborgh’s overlijden in 1981.

In 1995 heeft Axel Huber hun correspondentie gepubliceerd in “F.C. Terborgh, Schrijverschap in wording, brieven van Reijnier Flaes aan Axel Huber”.  Uitgegeven bij ‘De Ploeg’ te Maarssen, voorzien van een treffend voorwoord door de dichter H.C. ten Berge,  met wie Terborgh enige jaren bevriend was en die hem hielp met publicaties in het tijdschrift Raster.

Dit brievenboek is een buitengewoon goede en fascinerende bron om Terborgh’s ontwikkeling te volgen tot 1931, het jaar dat zijn dagboeken beginnen. In zijn persoonlijk archief is over die tijd voor 1931 vrijwel niets te vinden, behalve enige foto’s.

Print Friendly

 

Uit de brieven aan Axel Huber komt een enigszins ontheemde, eenzame denker maar ook een aardse wereldgenieter naar voren. Ontheemd en eenzaam zou hij lang blijven. Ontheemd omdat hij zich in Nederland – en aanvankelijk in de Nederlandse taal – een vreemde eend in de bijt voelde. Later zou daar een een ontheemding in de tijd bij komen. Toen Roland Holst in 1968 bij hem logeerde in Portugal, waren de twee het over eens dat mensen die voor de Eerste Wereldoorlog geboren waren, geheel anders over het leven nadachten dan die van daarna.

De meeste brieven zijn geschreven in de periode van 1921 – het jaar van zijn eindexamen en het begin van zijn rechtenstudie in Utrecht – tot en met 1929, het jaar waarin hij in Utrecht promoveerde op een proefschrift over Europese territoriale conflicten, met als hoofdvoorbeeld de geschiedenis van Polen. Daarna volgen nog twee brieven uit Bern (1930/31), zijn eerste diplomatieke plaatsing, twee uit zijn volgende standplaats Madrid (1935/36)  en veel later, na zijn pensioen, een uit zijn huis in Linhó, Portugal (1977).

Al heel vroeg las hij buitengewoon veel en greep hoog als het ging om de keuze van een boek. Zo las hij in zijn eindexamen jaar, toen hij voor zijn examen toch al veel boeken te lezen had, tussen door even 800 paginas Strindberg. Over zijn vader schrijft hij weinig, behalve dat die teleurgesteld was in zijn studiekeuze, die had liever gezien dat hij ingenieur of marineofficier was geworden. Over zijn moeder schrijft hij wel, met haar had hij een diepe band die nog eens tot uiting zou komen in een bibliofiel dun boekje dat hij schreef na haar dood in 1950: In memoriam Matris.

De meest belangrijke punten die van belang zijn om de latere schrijver te herkennen komen naar voren uit een aantal brieven uit Italië, waar hij zijn grote ommekeer zou beleven. Zijn vader was overleden in april 1927. Zijn moeder ontmantelde het huis in Hamburg en ging een paar jaar reizen met haar dochters, soms ook met haar zoon.

Vanaf eind 1927 bracht hij samen met haar vier maanden in Toscane door, ze namen hun intrek in een appartement in Florence. Daarna ging hij met haar nog vier maanden naar Viareggio en naar Capri. Ze bleven een jaar in Italië. Het is in Toscane dat hij diep heeft nagedacht over zijn toekomst. Hij was klaar met zijn studie en bereidde zijn dissertatie voor. Hij zou keuzes moeten maken over een toekomstige loopbaan.

Over dit denkproces schreef hij vanuit Italië onthullende brieven aan zijn vriend Huber. Het is bijzonder dat hij de net ontwikkelde visies die hij toen naar voren bracht, zijn leven lang zou handhaven. Zij vormen later de basis voor zijn literaire werk. Hij droeg dezelfde visies nog steeds uit tijdens de interviews die hij gaf rond zijn 75e verjaardag, vooral aan Jan Brokken die met de fotograaf Steye Raviez een paar dagen bij hem in Linhó logeerde en aan Frans Boenders toen die hem een lang interview afnam voor de BRT.

De noodzaak van eenzaamheid en nietsdoen :
‘Een gelukkig mens is lui in het oog van zijn medemensen’.  Men moet de tijd en de gelegenheid nemen om tot zich zelf te komen en daar bij te observeren en attent te blijven op wat er rondom gebeurt.

De kringloop van het leven:
Hij geloofde dat, zoals planeten een baan beschrijven, het leven van een mens zich afspeelt volgens een onveranderlijk plan, een kring die zich sluit bij de dood. Hij koos in Toscane als levensdevies:  sub specie aeternitatis: Vanuit het gezichtspunt van de eeuwigheid. Hij zag dat er in de gebeurtenissen in zijn leven een toeleg was, een toeval, iets wat je toevalt. Van dat moment dateert hij zijn brieven met de maand aangeduid als Romeins cijfer, hetgeen hij altijd heeft volgehouden, zelfs op zijn grafsteen.

Het landschap:
Nog in 1922 had hij geschreven dat hij het land had aan natuurbeschrijvingen. Geleidelijk had hij het landschap meer leren waarderen, maar uit de  Florence brieven  blijkt dat de confrontatie met het Toscaanse landschap  een grote ommekeer bij hem teweeg bracht. Hij schreef uit Florence op 16.XII.27 :

“Ik weet niet of ik je ooit op duidelijke wijze mijn verknochtheid aan het landschap heb uiteengezet, deze conditio sine qua non die de eenheid tussen land en stad me lijkt voor een harmonisch, gesloten leven; deze onvatbare invloed die van het landschap, de eenzaamheid, de gesloten kring op de vorming van mensen uitgaat…….Het zal je duidelijk zijn, ik heb mijn landschap gevonden – dat is van integrerend belang in je leven – en daarom draait voor mij hier eigenlijk alles.”

Het landschap zou een van de belangrijkste kenmerken van zijn werk worden. Zelfs het ‘rode licht’ waarover hij zo vaak zou schrijven, heeft hij in Toscane voor het eerst gezien.

Zijn keuze voor de toekomst:
In een brief van 30.III.28 uit Florence:
ik heb de (misschien allerbelachelijkste) illusie om schrijver te worden – als hoofdambacht – niet veel maar goed……. En wel waarom? Omdat noteren de enige mogelijkheid voor mij is mezelf te leren kennen – me te bevrijden – te overwinnen… Goed, maar om te ‘groeien’ heb je ervaring nodig – en de hele dag schrijven kun je evenmin als luieren, d.i. als het te erg wordt terugzinken. Ergo… ik zal een ambacht kiezen dat voor mij innerlijk secundair is – me de nodige vrijheid laat – mij met die mensen in aanraking brengt die me relatief het belangrijkste lijken d.i. mijn ervaring vermeerderen.

Hij koos daarom voor de diplomatieke dienst. Die was in die tijd veel minder hectisch dan nu en liet ruim de vrije tijd om in een vreemd land rond te kijken en mensen te leren kennen en erover te schrijven. Op het Ministerie van Buitenlandse Zaken wisten ze al gauw dat hij niet blij zou zijn met een overplaatsing waarbij hij het druk zou krijgen. Geen landen zoals Engeland of Frankrijk of de Verenigde Staten dus. Hij ging liever daarheen, waar iets te zien en te beleven viel.

Dat heeft hij geweten. Tijdens zijn carrière vanaf 1932 arriveerde hij op zijn posten net voordat er grote moeilijkheden kwamen. Hij was in Madrid  tijdens de Spaanse Burgeroorlog, in Peking toen de Japanners er binnen vielen, in Londen en Lissabon tussen spionnen en displaced persons tijdens de tweede wereldoorlog, in Warschau toen Polen in handen kwam van communisten. Het heeft allemaal op subtiele wijze weerslag gekregen in zijn werk. Na zijn pensioen vroeg eens iemand: “Meneer Flaes, hoe is het mogelijk dat iemand die zo weinig diplomatiek is, bij de diplomatieke dienst wilde gaan werken?” Zijn antwoord was: “Wie ging er voor mijn literaire productie betalen?”

De foto hierboven, van de 23 jaar jonge Flaes, zijn moeder en zijn oudste zus, is genomen op het station van Hamburg op 17 juli 1925.

Print Friendly

Als intermezzo is hier een curieus en informatief document in de vorm van een stuk stevig tekenpapier van ca 30 bij 50 cm, afgedrukt in een voldoende grote oplaag om alle leden van Terborgh’s jaarclub te kunnen voorzien. Linksonder staat ‘Lith. Joh. A. Moesman-Utrecht’, dat is de vader van de te laat beroemd geworden schilder Jopie Moesman, die toen nog op de zolderverdieping van de ouderlijke winkel schilderde.

Tijdens zijn studie maakte Terborgh verschillende zeereizen op olietankers. In 1922 ging de twintigjarige naar de Zwarte Zee per tanker Wieldrecht ‘om olie te halen’, ‘een reis van twee maanden, afgesloten, in volle rust zonder afleidingen is ’t me een zeer welkome gelegenheid tot concentratie’, via Algiers en Konstantinopel naar Konstanza (Roumenië). In de zomer van 1923  naar Mexico langs de kust van Louisiana en Texas en vervolgens nog een reis naar Griekenland, waar hij een voettocht van twee weken maakte.

Tegen het eind van 1924 ging hij voor een jaar naar Parijs, om de taal te leren. Nadat hij in april 1929 was gepromoveerd, ging hij met hetzelfde doel nog eens naar Frankrijk en Engeland. Hij nam overal vandaan stenen en ‘oudheden’ mee, een gewoonte die hij zijn leven lang zou houden. Hij zou er soms zelfs naar graven.

Zijn vrienden waren goed van dit alles op de hoogte, zoals blijkt uit de tekening. Ook blijkt al zijn interesse voor Polen, als gevolg van zijn proefschrift en zijn ongemak met de Duitse politiek die hij sinds 1914 al vaak had geventileerd.

Print Friendly

Na zijn promotie in Utrecht in April 1929 en de daarbij behorende feestelijkheden,  ging Terborgh ruim vier maanden naar Engeland om de taal beter te  leren spreken. Vervolgens nog eens twee maanden naar Parijs ‘om mijn Frans wat op te frissen’.

Dit schreef hij aan zijn vriend Huber op 17 december 1929 vanuit Rome, vanaf een adres dat hij ‘thuis’ noemde omdat zijn moeder daar op dat moment even woonde. Hij had kennelijk al gesolliciteerd bij Buitenlandse Zaken, want hij vermeldt tevens ‘ik praepareer me op mijn examen door krantenlektuur.’ Dit was het zogenaamde ‘attaché examen’ dat op 17 en 18 januari 1930 zou plaats vinden. In de brief komen zowel over een toekomstige baan, als over een eventuele verbintenis met een vrouw, nog steeds dezelfde ongerustheden naar voren als een paar jaar daarvoor. Hij zegt bang te zijn om “een juk op te nemen, dat misschien in nog hogere mate mijn inwendig rythme zal verstoren.”

Hij slaagde en werd direct daarna op de ambassade in Bern geplaatst in de toen gebruikelijke aanvangsrang: Gezantschapsattaché. Op de foto ziet u hem naast zijn baas, de Gezant Mr. Doude van Troostwijk.

Zijn eerste brief uit Bern is gedateerd 1 augustus 1930. Het is een zeer lange brief, even onthullend als zijn brieven uit Florence van het jaar 1927/28 (zie F.C. Terborgh-4).

In 1927 had hij al eens aan Axel Huber zijn twijfels over een huwelijk geuit, zich afvragend of je daardoor beperkt zou worden in je persoonlijke groei. In de brief uit Bern gaat hij daar nog verder op in. Hij heeft tijdens zijn verblijf in Engeland in het huis  waar hij logeerde een Noors meisje ontmoet, dat hij ‘de vikingsdochter’ noemt. Hij was dol op haar vanwege haar “verbluffende natuurlijkheid en vitaliteit – grote ernst – warm en echt gevoel, zonneschijn – kortom alles wat men zo bij zondagskinderen constateert…”. Hij hoopte een tijd lang met haar “op enigerlei wijze aan een hemelrijk (der kinderen) deel te hebben – of weer deelachtig te worden wat ik verloren had.” Echter, “Zij is burgerlijk – en wel in de beste zin des woords – zie je, van dat soort mensen dat op de waarachtigheid in het leven, op de grote grondlijnen de klemtoon legt en een soort minachting heeft voor de formele kanten ervan”.

Hij legt dan uit dat hij zich tot haar aangetrokken voelde maar doodsbang was om te belanden in een huwelijk van familieleven, kinderen krijgen, levenslang liefhebben. Hij besluit zijn betoog met: “Beste kerel, ik geloof dat de liefde iets ontzettend egoïstisch is. Misschien ben ik zelf een ploert.” Hij had de band met het Noorse meisje verbroken. “Het arme kind doet me zielsleed – maar ik geloof er niet meer aan – weet niet hoe de zaak uiteen zal vallen.” De Vikingsdochter zou daarna voorkomen in zijn eerste verhalen: De bruiloft en Een Brief.

De volgende brief uit Bern dateert van 30 maart 1931. “De dingen hebben sindsdien zo hun eigen beloop genomen (man glaubt zu schieben und wird geschoben), dat ik zelfs sedert maanden niet meer tot enige rustige en bezonken correspondentie ben gekomen en je pas heden, te elfder ure kom mededelen dat ik sinds twee maanden verloofd ben met Mej. Marguerite von Herrenschwand en over 14 dagen reeds de definitieve zelfmoord in vorm van een huwelijk zal plegen… Overigens kan ik je in vertrouwen meedelen dat me het huwelijk nog steeds een twijfelachtige bezigheid toelijkt – maar dat men er maar niet teveel over na moet denken.”

Met de bij haar huwelijk twintigjarige Marguerite kreeg Terborgh twee zoons. Samen maakten ze, na Bern, veel mee in Madrid, Peking , Lissabon en Oslo. Zij was de perfecte diplomatenvrouw, ze hield nu juist van die formele, representatieve kanten van het diplomatieke leven waaraan Terborgh zelf een hekel had. In de periode 1945-1949, toen hij alleen in Warschau zat, dreven zij uit elkaar. Het huwelijk werd in 1952 ontbonden.

Vanaf 1952 zou Terborgh onafscheidelijk onder een dak wonen met Katja Endel, een uit Stockholm afkomstige vrouw van Nederlandse/Russische afkomst die hij uit het werk in Polen kende, zij was bij hem tot haar plotselinge dood in 1974, als gevolg van een hersenbloeding. Uit de verhalen van mensen die haar bij hem hebben meegemaakt komt zij naar voren als iemand die veel van de kenmerken vertoonde van de Vikingsdochter waarmee Terborgh het in 1930 niet aandurfde.

Katja en Terborgh liggen naast elkaar begraven op de begraafplaats in Linhó, Portugal, onder twee aparte grote marmeren grafstenen, met de kenmerkende opschriften:

KATJA ENDEL, RIGA 30-I-1914, LINHO 20-IX-1974

R. FLAES, DEN HELDER 14-1-1902, LISBOA 26- 2-1981.

Katja figureert in Terborgh’s De Meester van de Laërtes (‘Drusilla’), Odysseus laatste tocht en in de gedichten “Winter-Elegie, in memoriam K”. Ook, met hem samen, in een gedicht  van Roland Holst dat deze in 1968 maakte tijdens zijn bezoek aan hen in Linhó, het vers genaamd ‘De overlevenden.’

In november 1975 had Terborgh de beide grafstenen laten zien aan Jan Brokken, die in zijn artikel haar graf discreet niet noemde, alhoewel hij haar naam op de steen had gezien.  In dezelfde tijd stond Terborgh toe dat een blije en zonnige foto van Katja en hem uit September 1973, tijdens een bezoek aan Athene, werd geplaatst in het door H.C. ten Berge samengestelde herdenkingsboekje “Een schrijver als grenskozak, F.C. Terborgh over zichzelf en zijn werk”. Zonder haar naam erbij.

Zoals hij tot zijn pensioen zijn pseudoniem hermetisch geheim hield,  sprak hij met buitenstaanders nooit over Katja. Maar tegen het eind van zijn leven legde hij wel een paar sporen uit. Niet alleen in de bovengenoemde boeken en gedichten, maar ook op andere wijze. Tijdens het interview met Frans Boenders, in november 1975, noemde hij vier bondgenoten bij de bedroevende strijd om geheel alleen de existentiële eenzaamheid van de mens te kunnen doorstaan. Het licht, de muziek, het ongerepte landschap en: de verhouding tussen man en vrouw. “Daarmee bedoel ik het gezamenlijk als kameraden, als kameraden door het leven gaan, van man en vrouw samen; het samen eenzaam zijn, het samen eenzaam kunnen zijn. En de zeer diepe betekenis van wat ik hier zeg beseft men pas ten volle als men alleen is gebleven.”

Op 5.II.77, in zijn laatste brief aan Axel Huber, schreef hij: “Hoe ouder ik word deste moeilijker valt het me te ontkennen dat er in alles een toeleg is. De taal zegt het al: toeval, dat wat ons toevalt, voor ons is bestemd. Het Franse Hasard, afgeleid van een arabisch woord dat dobbelspel betekent, zegt het zelfde, immers de door ons geworpen stenen vallen ons iets toe. Men moet misschien wat ouder worden om deze dingen in rust te begrijpen. Misschien reserveert de ‘men’ zulke ervaringen voor onze oude dag. Een gevoelig verlies kan de plotselinge definitieve catalyse brengen. Voor mij is dat ruim twee jaar geleden het geval geweest. De ogen gaan open en er is een prachtige, geheel onverwachte positieve vernieuwing.”

De laatste brief van Terborgh, die hij schreef op 22 februari 1981, na een operatie die hem vier dagen later door een plotselinge complicatie fataal zou worden, was gericht aan Katja’s zuster Svea in Stockholm, bij wie hij na Katja’s dood vaak op bezoek ging. Zij was op de hoogte maar zijn twee zoons had hij over de operatie niet ingelicht.

Tot het einde toe bleef er een grote mate van  continuiteit bestaan tussen zijn inzichten en ervaringen van voor zijn dertigste jaar en daarna. Hij veranderde niet, maar werd wel milder.

“Op ‘t ruwe pad, heilige weg der Propylaeën…”, uit: Niet uit te wissen ochtend, in Winter-elegie, in Memoriam K.              

Print Friendly

 

Na zijn huwelijk in April 1931 zou Terborgh nog haast twee jaar in Bern blijven. Hij betrok met Marguerite een zolderverdieping in de Beatusstrasze en daar schreef hij in zijn ruime vrije tijd gedichten en korte verhaaltjes. Sommige van de gedichten werden geplaatst door de literaire tijdschriften Helikon en Forum. Tijdens jaarlijkse verloven maakte hij kennis met sommige Forum schrijvers, uit die tijd dateert ook zijn eerste, toen nog schriftelijke, contact met Slauerhoff.  Ook een paar van zijn eerste korte verhalen kwamen uit bij Forum, maar dat tijdschrift hield in 1936 op te bestaan. De overige verhalen uit die periode en die van kort erna zou hij in 1940 in privé uitgave te Peking publiceren bij de Paters Lazaristen.

Op 23 Januari 1933, tijdens een verlof in Den Haag, deed hij het ‘Secretaris examen’ op het Ministerie van Buitenlandse zaken en hoorde daarna meteen dat hij als zodanig was overgeplaatst naar Madrid.  Drie dagen later bezocht hij, samen met Marguerite,  Jan Slauerhoff te Wassenaar, alwaar de dichter/scheepsarts en zijn vrouw Darja Collin een huis hadden gehuurd.

Op 1 maart pakte hij zijn koffers, ondanks protesten van zijn vrouw die zo vlug niet wilde vertrekken. Op 2 maart gingen ze met de trein via Lyon en Port Bou naar Barcelona. Het reizen ging in die tijd anders dan nu. Hij tekende aan in zijn dagboek: “Ellendige trein naar het Zuiden. In donker overgestapt in Tarascon. Primitief diner op station. Regen. ‘s Nachts om drie uur aan Spaanse grens. Landverhuizerstemming.” Op 3 maart  schreef hij: “Prachtige levantijnse zonsondergang vóór Barcelona – mooie kust. Warme lange kale lege reis naar Madrid. Daar ’s avonds aangekomen. In Savoy afgestapt.”

De dag erna, het was Zaterdag,  maakte hij kennis met de Gezant, de heer Nepveu, en lunchte met de kanselier. ’s Avonds ging het echtpaar naar de bioscoop. Op Zondag gingen ze naar huurhuizen kijken en naar het Prado: “Velasquez gezien”.

Al op Maandag 6 maart vonden ze een prachtig appartement op de tweede verdieping van een statig pand met lift in de Calle de Velasquez, nummer 94, hoek Calle Juan Bravo. Het is nuttig om deze details te vermelden, want later, tijdens de Spaanse burgeroorlog, zou hij daar het een het ander beleven dat zijn weerslag heeft gevonden in zijn novelle Santa Cruz (1970). Er werden bedden voor “de meid’ en voor een logeerkamer gekocht, veelvuldig naar de bioscoop gegaan en een keer  van hotel veranderd (naar het Majestic) Er werd op 16 maart een Plymouth Convertible besteld alhoewel Terborgh nog geen rijbewijs had.

Op 19 maart werd een Corrida bezocht. In zijn dagboek schreef hij:Diego de los Reyes – de man zou een broer van Vredenburch kunnen zijn. [Jhr van Vredenburch, collega-diplomaat en tijdgenoot van Terborgh]. Zeer slank – sympathiek – het staartje in de nek geeft aan het geheel iets ongeloofwaardigs. Nog vóór het begin breekt een stuk van de gietijzeren leuning ergens naar beneden – zeven gewonden, rumoer en protest. Dan de obligate stieren – twee paarden – twee andere die niet meer te gebruiken zijn (een hangt de lever als een geweldige zak uit de buik), twee picadores onbruikbaar gemaakt en de hoofdmatador door de stier opgelicht en zich wringend van pijn uit het veld gedragen. De jonge stieren suggereren Knossos met een verbluffende duidelijkheid – zelfs de lucht, het schreeuwen. De arena Romeins – de opwinding uit de keizertijd. Zeer bevredigd – als men zich maar op de arena concentreert – niet de mensen rondom zien – en de paarden vergeten.

Wat het belangrijkste instrument zou blijken te zijn voor zijn verblijf in Spanje kocht hij op 22 maart: een  wegenkaart van het gehele land. Op 23 maart werden de meubels uit Bern uitgeladen, die avond sliepen ze al in hun nieuwe huis.

Een doortastend begin van wat een spannende tijd zou worden.

Print Friendly

April 1933. Terborgh ging voortvarend verder met zijn introductie. Met Annemarie, de jongere zus van Marguerite van nog geen twintig – een tomboy-achtig meisje, ze zou later jarenlang jockey zijn –  ging hij een paar dagen lang de nabije omgeving verkennen in een zes-cylinder Renault cabriolet. “Voor het eerst tafelberglandschap gezien.”

Ze gingen onder andere naar het vliegveld Barajas, toen nog een kale vlakte met een paar kleine gebouwen. Hij zou daar later ook met zijn vrouw vaak naar toe gaan om naar de vliegtuigen te kijken. Een impressie van een dergelijk bezoek komt voor in ‘Het gezicht van Peñafiel”. De tochtjes in de Renault bevielen zo goed dat hij besloot om de bestelling van de Plymouth te annuleren en te gaan voor de Renault. Een chauffeur, Feliciano, werd ingehuurd om hem en Marguerite rond te rijden en om hemzelf rijles te geven in de Renault PrimaStella.

In April werd op dineetjes en recepties kennis gemaakt met zijn collega’s van andere gezantschappen en ambassades, waaronder met de Portugees (José) vicomte de RibaTamega en met de Deen Tage Bull. Met Tage Bull zou hij vele jaren lang in nauw vriendschappelijk contact blijven. Bull en Riba komen voortdurend voor in de Spaanse dagboeken.

De tochten voerden steeds verder, vooral in de weekends waarbij soms op de zaterdagavond ergens werd geslapen. Tegen het eind van Mei had Terborgh zijn rijbewijs gehaald  dus was Feliciano niet meer nodig. In het weekend van 10 en 11 juni 1933 werd samen met de Nederlandse gezant Nepveu, Riba, Bull en nog enige andere diplomaten in een paar auto’s een avontuurlijke tocht ondernomen naar de Sierra de Gredos, via Avila.

Wegen, dorpen, gebouwen waren in die tijd nog uiterst primitief en het landschap was nog vrijwel ongerept. Er werd hier en daar gestopt en gepicknickt. Men stopte onder andere in Navarredonda, Guisando, Arenas de San Pedro. Uit zijn dagboek:

Een klein uur gaans verder ligt een dorp. Navarredonda; een deel in een plooi van het terrein, een ander deel, op enige afstand tegen een vlakke heuvel aan. Op rondgewassen, grijsblauwe granietblokken langs de weg zijn granieten kruizen opgericht, niet meer dan manshoog en scheefgezakt, elf verstrooid en drie bijeen: Golgotha. Luguber rekken zij zich in een leiblauwe kille hemel; merktekens op welk knekelveld? De muren der huizen van Navarredonda zijn nauwelijks drie meter hoog, vaak minder; uit ruwe granietblokken samengevoegd met hier en daar een venstergat, verweerde pannendaken erboven; kleine voorpleinen achter dikke muren verborgen als primitieve vestingen. We zochten in deze modderige granietwoestijn naar een slok landwijn. Een rachitische jongen, onbeholpen en zwijgzaam, wees ons de weg. Een klein voorplein achter muren, een zich verwoed krabbende hond en een haan op een bank. De deur stond aangeleund en een gang, dwars door het huis lopend naar een achterdeur, was laag, maar men riep ons uit een vertrek terzijde.

Door een smalle opening, minder dan manshoog, zagen we in een vensterloze ruimte, niet meer dan twee meters in ‘t vierkant en minder in de hoogte. De zoldering vormde haast geheel een zwartgerookte schouw, door de schoorsteenopening viel vaal daglicht. Vuur brandde op een pijnlijk schone vloer en in de rook zaten op muurbanken tegenover elkaar man, vrouw en grootmoeder; de vrouw zoogde haar kind. De man haalde wijn, hij was zeer spraakzaam, had een kaal, gerimpeld Sancho Pansa gezicht. In het voorbijgaan legde hij in het halfduister zijn hand op de schouder van een zich zacht op de benen wiegende gedaante: “deze man is blind”. Hij zei het als meende hij: “Deze man is ver gereisd; tot naar Patagonië en de kruideneilanden” en de blinde beaamde in dezelfde toon – De wijn was bitter, maar de mensen gul en vriendelijk.”

De toon voor zijn haast vijf jaar durende verblijf in Spanje was gezet. Dat verblijf zou een onwisbare indruk achterlaten, die voelbaar bleef in zijn gehele literaire werk.

(wordt vervolgd)

Print Friendly